Hoofdstuk 32


Vers 2

Mahanaïm.

=2 legers.

Ook Elisa en zijn dienaar zagen een engelenleger dat hen in Dothan beschermde tegen Syriërs.



Vers 3

Naar het land Seïr.

Ezau verbleef dus niet bij Izak. Hij was daar bij zijn schoonfamilie, maar had daar misschien nog niet zijn definitieve woonplaats.

In Genesis 36 lezen we over de scheiding van Jakob en Ezau, omdat ze samen teveel vee hebben.

Ezau gaat dan in Seïr wonen.



Vers 4

Tegen mijn heer

Jakob laat blijken dat hij Ezau als hoofd van de familie erkent.

Hij onderwerpt zich wel, maar houdt de eerstgeboortezegen.



Vers 5

Jakob komt echt niet om de erfenis van Izak. Die mag Ezau best hebben.

Jakob bezit heel veel.



Vers 6

Trekt u tegemoet.

Het Boek van de oprechten zegt, dat Ezau van Laban wist dat Jakob eraan kwam.



Vers 7

Bang.

Ondanks het engelenleger dat Jakob had gezien.



Vers 9

Keer terug.



Vers 10

Met alleen een staf.

20 jaar terug had Jakob niets dan alleen zijn staf.

Vreemd toch, dat Izak hem niets meegaf.

Dat deed Abraham anders toen er een vrouw voor Izak werd gezocht.



Vers 12

U hebt gezegd.

Pleiten op Gods eigen woord is de sterkste pleitgrond.

God kan nooit van Zijn woord af.


Voor ons ook!

Ook aan ons is God Zijn woord kwijt: wie Mij zoekt, zal Mij vinden. Als we dat doen, zal God ons verhoren.



Vers 15

Totale gift.

580 stuks vee.


Opmerkelijk.

Als Jakob 10% weggaf aan Ezau, wat had hij dan veel vee!

Hij had dan nog wel 5220 dieren over.



Vers 16

Houd afstand.

Op die manier valt de grootte van het geschenk beter op. Steeds weer een nieuw geschenk zal Ezau milder stemmen.



Vers 18

Uw dienaar.

Jakob erkent Ezau als zijn meerdere.



Vers 20

Misschien

Ondanks alle beloften van God, ondanks de 2 engelenlegers, ondanks zijn gebed, is Jakob in twijfel.


Het woord "aangezicht".

Letterlijk:

Want hij zei: Ik zal de boosheid van zijn aangezicht afwassen met een geschenk dat ik voor mijn aangezicht uitstuur; pas daarna durf ik zijn aangezicht te zien, misschien is hij bereid mijn aangezicht op te heffen.



Vers 22

Elf kinderen.

Dan zijn alléén de jongens geteld. Dina was nummer 12.



Vers 24

Een man.

Er zijn 2 verschillende uitleggingen:

  1. De man is een goede engel die komt om Jakob te zegenen en een nieuwe naam te geven, voordat hij Ezau ontmoeten zal. Maar...vreemd dat deze engel het niet van Jakob kan winnen.
  2. De man is een demon. Dit is de visie van veel Joodse uitleggers. De man komt in de nácht. Hij kan het niet winnen. Hij doet iets gemeens, hij maakt Jakob kreupel. "Heup" is ook een verhullende uitdrukking voor geslachtsorgaan. De duivel zal het nageslacht van Jakob treffen.

Volgens Hosea 12:5 is die "man" een engel.

'ĕlôhîym is niet meervoud van

el , maar van ĕlôah.

Als JHWH bedoeld wordt, staat er "de ĕlôhîym".

Dat is in Hosea 12:5 niet het geval. Waarschijnlijk is het dus een (aarts)engel, maar niet God zelf.

Exodus 33:20. verduidelijkt dat. Jakob kan dus niet Gód persoonlijk hebben gezien van aangezicht tot aangezicht zoals in vers 30 staat.

Deze ĕlôhîym vraagt: laat mij gaan (letterlijk: zend mij weg). Hij erkent Jakob als meerdere. Het gelaat van deze ĕlôhîym is als het gelaat van Ezau.

In Hosea 12:4-6 lezen we een parallellie: Jakobs strijd met Ezau (als kind) en Jakobs strijd als volwassene met Ezau's engelvorst. Wie weent en smeekt er om genade in Hosea 12:4-6? Dat doet deze ĕlôhîym.

In Genesis 32:26 smeekt Jakob wel om hem te zegenen, maar dat is iets anders dan smeken om genade. Jakob vraagt om erkenning van zijn eerstgeboorterecht, erken mijn zegen.

Deze ĕlôhîym zegt verder in Hosea 12:6 : In Bethel zal hij (=ĕlôhîym) hem (=Jakob) aantreffen d.w.z. dáár zullen ze samen voor JHWH verschijnen. Die zal tussen hen oordelen. Daar zal Hij (=JHWH Hosea 12:6) met ons (ĕlôhîym +Jakob) spreken. Deze engel wil Jakobs rechten pas in Bethel erkennen als God spreekt in het voordeel van Jakob. Jakob wil zo lang niet wachten en dwingt hem om hem nú te erkennen, te zegenen.


Ook de Joden zien in deze ĕlôhîym de engelvorst van Ezau. Jakob wil de erkenning van zijn eerstgeboorterecht en daarom eist hij de zegen. Het gaat Jakob niet om de gestolen zegen, maar om de twééde zegen, de zegen van Abraham.



Vers 25

Een Man of iemand?

De meeste vertalers vertalen met "Man".

Het grondwoord "îysh" kan ook "iemand" betekenen.



Vers 26

Laat mij gaan.

Letterlijk:

Dat kan alleen als Jakob als meerdere wordt erkend. Jakob houdt echter vast. Hij wil erkenning en dat zal ook voor Ezau tot zegen zijn. Hier zien we Jakob die zich vorstelijk gedraagt. Nu is hij geen bedrieger.


Ezau had 2 opties:

  1. Jakob als gezegende erkennen. Wie Israël zegent, zal gezegend worden. Dit is de goede weg.
  2. Door strijd kan Ezau proberen het juk van Jakob af te werpen. Dat had de engelvorst van Ezau de hele nacht geprobeerd. Jakob dwingt hem om de eerste optie te kiezen.

Tenzij u mij zegent.

Jakob hééft de zegen van God al 20 jaar geleden in Bethel ontvangen. Hier wil Jakob dat de engelvorst van Ezau het eerstgeboorterecht van Jakob erkent.

Het Hebreeuwse woord dat met zegenen is vertaald, kan ook betekenen:

De engelvorst moet zijn kracht overdragen aan Jakob.

Wie Jakob zegent, zal zelf ook zegen ontvangen.


De westerse wereld = Edom.

Joden noemen het Romeinse Rijk ook Edom.

Het Romeinse Rijk wordt gekerstend, maar de diepe intensie van Ezau blijft: haat tegen Israël.

In 325 is het concilie van Nicea (= huidige Iznik). Toen reeds werden anti-Joodse besluiten genomen door de kerk.

De dageraad komt.

De persoon, de engel, wil weg. Hij schuwt het licht. Dit pleit ervoor dat dit een duivel is. Ook het feit dat hij Jakob kreupel maakt, pleit voor een demon.



Vers 28

Israël.

VdW: uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met een ělôhîym (= goede of slechte engel) en met mensen geworsteld en was daartoe in staat. (en u gaf niet op).


Hier zegt de engel het zo dat Jakob zich vorstelijk heeft gedragen. Vorstelijk, want Jakob wil niet de ondergang van zijn tegenstander, maar Jakob wil erkenning als eerstgeborene.


Israël.

Deze naam staat in het Hebreeuws in de toekomende tijd. De naam is profetisch en betekent eigenlijk:

Maar in Genesis 35:10 geeft God dezelfde naam, maar dan betekent het:

Overwonnen.

Als Jakob hier streed tegen de engelvorst van Ezau, dan had Jakob hulp van vele beschermengelen die hij al bij Mahanaïm zag.



Vers 29

Jakob vraagt de naam.

Deze man kan God niet zijn.

Pas eeuwen later zegt God Zijn naam tegen Mozes.

JHWH = HEERE.


Zegenen.

Zo kunnen mensen God zegenen = loven.

Zo moet deze engel Jakob zegenen, hem het goede toewensen, hem erkennen als eerstgeborene.



Vers 30

Van aangezicht tot aangezicht.

Pniël betekent: aangezicht van God.

Jakob zag het gezicht van "elohim".

Dat kan NIET God zélf geweest zijn.



Vers 31

Mank, maar géén pijn.

Uit de grondtekst blijkt dat dit géén pijn deed. Dat was een wonder.



<