Hoofdstuk 31


Vers 4

Naar het veld.

Daar kon hun plan niet worden afgeluisterd.



Vers 13

Keer terug.

De droom van de dekkende bokken was waarschijnlijk bij het laatste bedrog van Laban. De opdracht om terug te keren was nĂ¡ de zes jaren dat Jakob voor eigen vee werkte.



Vers 15

Ons geld opgemaakt.

De bruidsschat, voor elke vrouw 7 jaarlonen, is door Laban ook opgemaakt.

De bruidsschat was er voor het geval de vrouw weduwe werd.



Vers 19

Schapen scheren.

Jakob had nu vrij. Hij hoefde Labans kudde niet te weiden, want die dieren werden geschoren.



Vers 20

Bedroog.

Letterlijk:

Nu kon Jakob weg, want de kudde werd geschoren.



Vers 21

De rivier over.

Jakobs familie woonde ten noorden van de Eufraat. Daar lagen ook Ur en Haran. Daar was het vaderland, de geboorteland van Abraham.

Nu trok Jakob naar het zuiden en ging de Eufraat over.



Vers 32

Uw goden.

Terafim zijn huisgoden waarvan men genezende kracht verwachtte. Rachel verwachtte mogelijk vruchtbaarheid.


Zal niet in leven blijven.

Dit wordt waarheid bij de geboorte van Benjamin.



Vers 39

Verscheurde dieren vergoeden.

In de Thora is de herder vrijgesteld van vergoeding als een schaap door een wild dier wordt verscheurd.

Jakob vergoedde het liever zelf dan dat hij naar Laban ging om vrijgesteld te worden van vergoeding. De Thora bestond toen nog niet.



Vers 42

Gevreesde van Izak.

In vers 53 staat dezelfde uitdrukking.



Vers 47

Een steenhoop.

Jegar-Sahadutha en Gilead zijn respectievelijk Aramese en Hebreeuwse woorden en betekenen:



Vers 48



Vers 49

Mizpa.

= wachtpost.



Vers 53

De god van Nahor.

In onze vertaling staat god (g) van Nahor, terwijl de God (G) van Abraham een andere lijkt te zijn.


God van hun vader.

Hun vader is Terah.

Die diende dus ook god (g) maar had afgoden.

Dat had Laban ook, want hij miste zijn terafim.


Gevreesde.

De God die door Izak gediend / gevreesd werd.

Zie vers 42.



<