Jakob buigt 7x.
Jakob gaat diep in het stof.
Vrouwen en kinderen ook.
Jakob noemt zichzelf steeds dienaar, ook via zijn knechten. Hij noemt Ezau: heer.
Veel of alles.
Ezau heeft veel, veel van het aardse.
Jakob heeft volgens vers 11 "alles", hij had veel van het aardse, maar hij had ook God tot zijn deel.
Ezau accepteert de geschenken.
Wie Israël zegent, wordt zelf gezegend.
De engelvorst van Ezau heeft Jakob gezegend. Dat zegt Jakob met andere woorden tegen Ezau. Als jouw engelvorst mij zegende, moet je mijn zegen ook aannemen.
Of..
Jakob merkte dat Ezau's vriendelijkheid een bewijs was van Gods gunst voor Jakob.
Alsof ik het aangezicht van God zag.
Jakob zegt:
Wanneer zag Jakob Ezau's gezicht?
Toen Jakob worstelde bij Pniël, bij de Jabbok. Het gezicht van die persoon komt overeen met Ezau's gezicht. Dat pleit ervoor dat deze man, waarmee Jakob worstelde, géén goede engel is.
Ezau had 2 keuzen.
Het woord "aangezicht" komt in de grondtekst vaker voor dan wij in onze vertaling zien.
Zie bv.
Aanvaard mijn geschenk = mijn zegen.
Letterlijk:
Met dit woord "zegen" (SV) verwijst Jakob naar de gestólen zegen, 22 jaar geleden.
Die gestolen zegen ging over macht en rijkdom.
Daarvan zag Jakob de waarde niet meer. Déze zegen, de gestolen zegen, geeft hij terug aan Ezau. Neem mijn zegen!
De tweede zegen die Jakob van Izak kreeg, was de échte zegen, dat was de zegen van Abraham. Díe zegen was hem alles waard. Daarom zei hij: "Ik heb alles".
Naar deze zegen verwijst
Ezau koestert geen wrok, niet omdat hij vergeeft, maar omdat hij vergeet.
De Edomieten, nakomelingen van Ezau, bleven altijd vijandig tegen Israël.
Jakob wil niet samen reizen.
God moet zijn Leidsman zijn.
Totdat ik in Seïr kom.
Nergens lezen we dat Jakob ook naar Seïr is gegaan.
Sukkoth.
= hutten.
Ligging:
Een huis.
Wilde Jakob zich permanent vestigen?
Wilde hij niet naar Bethel? De reden staat in Genesis 35:2.
Misschien was dit "huis" toch een tent zoals vers 19 zegt.
Hemor.
Hemor hoorde bij de Hevieten, bergbewoners.
Jakob rekent ze bij de Amorieten.
Ook Gibeon hoorde bij de Hevieten.
Stuk land bij Sichem.
Johannes 4:5. Jezus ontmoette daar de Samaritaanse vrouw.