Hoofdstuk 15


Vers 2

Bezitter.

In vers 3 staat hetzelfde woord, maar daar is de vertaling "zoon".


Eliëzer= hulp van God.

Waarschijnlijk een ingeborene. (Vers 3)

Abram denkt dat deze man alles zal erven.



Vers 3

Iemand die in mijn huis geboren is.

Letterlijk:

Dat is Eliëzer. In vs 2 heet hij "bezitter" (zelfde grondwoord).



Vers 4

Een eigen zoon.

God heeft Saraï nog steeds niet bij name genoemd als moeder van het beloofde kind.



Vers 5

Tel de sterren.

Tegenwoordig kunnen we rondom de aarde 9000 sterren tellen met het blote oog. Dat is minder dan het aantal zandkorrels op ½ theelepel.

In óns melkwegstelsel zijn 300 miljard sterren.

Er zijn wel 500 miljard melkwegstelsels.

Dus het totaal aantal sterren: 1,5 met 22 nullen. (Ongeveer 1²³ sterren)

Meer sterren dan zandkorrels.


Gods belofte.

Het lijkt heel logisch dat als Abram vader wordt, dat dan Sarai de moeder van het kind is.

God heeft de naam van Sarai nog niet genoemd. Pas later wordt Sarai genoemd als moeder.

Toen Abram Hagar als bijvrouw nam, geloofde hij nog steeds Gods belofte.

Waarom werd deze belofte niet vervuld?



Vers 6

Abram geloofde.

Wat was het wezenlijke van dit geloof?

Abram lette niet op eigen onvruchtbaarheid en ook niet op de onvruchtbaarheid van Saraï.

Zo moeten ook wij geloven! Op Gods beloften kunnen we aan. Hij maakt ze waar. Alle beloften zijn in Christus ja en amen.



Vers 7

Waar ligt Ur?

Maimonides en Flavius Josefus plaatsen Ur in het noordelijk stroomgebied van Eufraat. Oerfa bij Haran.

Doel van de reis.

Het land dat God belooft. Dat is ook de inhoud van het verbond. De landbelofte betreft het letterlijke land van God.

Bij Calvijn blijkt dat het aardse Israël volledig wegvalt; de landbelofte wordt geheel geestelijk ingekleurd. Bestaat er eigenlijk wel een "hemels Kanaän?"



Vers 8

Abram stelt een vraag.

Abram krijgt antwoord in:

  1. Beeld. Genesis 15:9-10.
  2. Woord. Genesis 15:13-16.



Vers 9

Onmisbaar.

In een verbond is verzoening onmisbaar. Het offer staat voorop. De relatie met God is belangrijker dat het land.

Die relatie God-Israël wordt altijd aangevochten.

Driejarig.

Het Hebreeuwse woord wordt verschillend vertaald:

Duif.

Abram nam een tortelduif en een "jonge duif".

Het gewone woord voor jonge duif staat hier niet. Er staat eigenlijk: jonge vogel, zonder soortaanduiding.

De sleutel voor het verhaal ligt in de vogel. Er is namelijk sprake van één vogel! Een tortelduif, en wel een jonge tortelduif.


Het voegwoord "en".

Het voegwoord (‘en’) tussen ‘tortelduif’ en ‘jonge vogel’ kan namelijk ook betekenen:

Totaal 7 stukken.

En dan passen alle stukjes in elkaar: er is steeds sprake van ‘drie’. In elk geval zijn er drie stuks vee, die, in tweeën gedeeld, zes stukken vormen. En de zevende, dat is die ene vogel! En niet eens een standvogel, maar trekvogel. Net als het volk Israël dat in slechte tijden het land uitgaat en in andere tijden weer terugkomt. Die vogel wordt niet in tweeën gehakt. Die heeft ook niets tegenover zich, die blijft op zichzelf. Zelfs de plaats waar de vogel ligt blijft onduidelijk; niet aan een van beide kanten.

Dat het verhaal duidelijk een beeld vormt van de volken, die verdeeld zijn, en Israël die één is, lijkt wel duidelijk. Maar ook lijkt het een herhaling van wat in Genesis 1 al beschreven wordt: zes dagen en de zevende dag. En de eerste zes dagen hebben ieder een tegenpool. De eerste dag komt overeen met de vierde, de tweede met de vijfde en de derde met de zesde. Alleen de zevende dag, de sabbath, heeft geen partner. Op deze manier wordt dit verhaal een symbolische kijk op wat Abram, en in zijn spoor zijn nakomelingen, betekent voor de volken.

Een verbond snijden.

In het Hebreeuws heet een verbond sluiten eigenlijk een verbond snijden.

Verbond en bloed hoorden bij elkaar.

Daarom werden de drie dieren ook gedeeld.



Vers 10

Eén verbond maken heet in het Hebreeuws: een verbond snijden.


Als verbond verbroken werd moest de verbondsbreker ook sterven, gedeeld worden, net als de dieren.

Jeremia 34:18-20

Het verbond werd door Israël verbroken, maar God was de enige die tussen die stukken doorging. Er was geen andere mogelijkheid, God werd gedeeld. Jezus stierf. God werd van God gescheiden. Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

Ezechiel 16:60-63 God zal verzoening doen.



Vers 12

Diepe slaap.

Zelfde woord als bij Adam.


Ons leven moet zijn:



Vers 13

400 jaren.

Die 400 jaren worden gerekend vanaf "het spenen van Izak". Vanaf Jakobs reis tot aan de uittocht is 215 jaar.

430 jaar tussen Abram en uittocht.

Maar toen had Abram nog geen "zaad". Hij moest nog 25 jaar wachten op Izak. Toen Izak 5 jaar was, begon de verdrukking. Ismaël verdrukte Izak.

Ballingschap en vreemdelingschap doen Gods beloften en eed niet te niet.



Vers 14

Veel bezittingen.

Dit is precies vervuld volgens Exodus 12:35-36.



Vers 15

Abram werd 175 jaar.


Tot uw vaderen.

Dat kan niet betekenen dat hij begraven werd bij de voorouders. Hij werd begraven in de spelonk van Machpela.

Vóórdat Abram werd begraven, werd hij al verzameld bij zijn vaderen.

Hij wordt verzameld bij zijn vaderen die reeds in de sheool, het dodenrijk zijn.

Wie redt zijn ziel van het graf, de sheool? Niemand!

Zelfs Abram komt daar, maar wel aan de goede kant van de kloof.

Lazarus werd gedragen in de schoot van Abraham toen hij stierf volgens

Ook Lazarus kwam in het dodenrijk, maar wel in het paradijs aldaar, bij Abraham.

Ook Jezus ging daar heen.

De ene moordenaar mocht met Jezus naar het paradijs.

Na Zijn opstanding neemt Jezus degenen die in het paradijs gevangen zitten mee volgens

Jesaja 61:1 spreekt over de opening van de gevangenis. Dat is een taak van Jezus.


Alléén in OT.

De uitdrukking "tot de vaderen verzameld worden" komt alléén in het OT voor.



Vers 16

4e generatie.

Gerekend vanaf de komst van Jakob in Egypte keert de 4e generatie terug.

  1. Levi.
  2. Kahath.
  3. Amram.
  4. Mozes.

Maar... Mozes keerde pas terug toen hij 80 jaar was. In die 80 jaar past nog wel een generatie. Dan vertrok de 5e generatie al, Gersom, zoon van Mozes.


Maar... als je via Mozes' moeder rekent:

Dan vertrekt wél de 4e generatie.


In 1 Kronieken 2:21-22 lees je over Jaïr die bij de intocht in Kanaän was. Hij stichtte dorpen in het Over-Jordaanse.

Hij hoorde bij de 5e generatie.

  1. Juda.
  2. Perez.
  3. Hezron.
  4. Segub.
  5. Jaïr.



Vers 17

Vuur en rook.

Vuur en rook zijn tekenen van God. Zo kwam God ook toen Hij het verbond op Sinaï sloot Exodus 19:18.


De verbondspartners.

Als men een verbond sloot gingen de verbondspartners tussen de gehalveerde dieren door. Daarmee maakten ze elkaar duidelijk: Als ik het verbond verbreek, mag het mij gaan zoals met deze dieren is gebeurd.

Abraham gaat niet tussen de dieren door. Hij valt in slaap.

Alléén God gaat er tussen door. Het verbond werd verbroken door het volk, maar God ging sterven. Jezus stierf.

God vroeg géén gehoorzaamheid van Abraham en zijn nakomelingen. God zelf staat garant. Geen wet kan daar een aanvulling op zijn.


Brandende fakkel.



Vers 18

Verbond.

Éénzijdig verbond.

God staat er zelf garant voor.

God belooft Abraham het land. Er staat: heb Ik gegeven. (Tegenwoordige tijd)

Hebreeen 6:13-20.


Beloften van dit verbond.

  1. Landbelofte.
  2. Kinderzegen .
  3. Zegen voor alle volken.
  4. Messias.

Verbond en doop.

De bijbel kent nérgens een verband tussen verbond en doop.

Toch wordt beweerd dat dit OT- verbond hetzelfde verbond is als het verbond dat bij kinderdoop bezegeld wordt. God zegt: Ik ben úw God, uw Vader, uw Heiland, uw Trooster. De doop zou deze beloften verzegelen van het "genadeverbond", een naam die niet in de bijbel voorkomt.

Paradox;

De Vader neemt de gedoopten aan als Zijn kinderen, want krachtens Zijn beloften zijn alle kinderen vh verbond ook kinderen van God.

Maar... ze moeten kinderen van God worden door geloof en bekering.


De rivier.

=Eufraat.

Dit zijn de grenzen van het beloofde land.



<