Hoofdstuk 8


Vers 1

Zonen als richters.

Dat was niet om het richterschap erfelijk te maken, maar om de taken van Samuël te verlichten.



Vers 2

Joël.

In 1 Kronieken 6:28 heet Joël: Vasni.



Vers 5

Uw zonen gaan niet in uw wegen.

Dat zal Samuël heel erg gevonden hebben.

Bestrafte hij ze?

Was hij als Eli?



Vers 6

Geef ons een koning.

Er was een dreiging van koning Nahas, de Ammoniet.

1 Samuel 12:12.


De koning in de Thora.

Mozes had al over de toekomstige koning geschreven in Deuteronomium 17:14-20.


God, als Koning, verworpen.

Ook God was er kwaad om. Hosea 13:11

Ze hebben God verworpen.

Dat deden ze al vanaf het begin. Deuteronomium 32:15-17.



Vers 9

De handelswijze van de koning.

1 Samuel 10:25.

Samuël moet vooral wijzen op het gevaar van despotisme.

Deuteronomium 17:16-17.

Het woord "nemen" komt daar voor.



Vers 11

Dienaren vóór zijn wagen.



Vers 12

Dwangarbeid.

Dwangarbeid voor vrije burgers. Dat waren ze ná Salomo goed zat.

1 Koningen 12:18.



Vers 14

Het beste geven aan hoge ambtenaren.

Dat deed Saul ook al.

1 Samuel 22:7-8.



Vers 15

Het tiende deel.

De koning zal er zichzelf en zijn vriendjes mee verrijken.

Deze 10% komt bovenop de 10% voor de dienst van God.



Vers 18

De HEERE antwoordt niet.

Dat is een heftige tegenstelling met 1 Samuel 7:8-9.



Vers 20

Hier staan de eigenlijke redenen van de wens om een koning te hebben.

In Deuteronomium 17 is de koning alleen voor binnenlands beleid.



<