Hoofdstuk 5


Vers 2

Dagon.

Sinds Hiëronymus meent men dat de afgod voor de bovenste helft mens was en voor de onderste helft vis.

Juist zeevolken vereren Dagon.


Dagan = koren.

Dagon zou ook een korengod kunnen zijn.

Op een Fenicisch zegel, uit de tijd van Hizkia, staat Baäl-Dagon tussen korenaren. Dan géén vissenstaart.



Vers 4

Afgehakt.

Dus niet gewoon gebroken. Dit was iets bijzonders. God wilde de Filistijnen iets leren.


Dagons romp.

Dag = vis.

Dagon werd afgebeeld als een man-vis. (Zoals een zeemeermin).

Dan stond de vissenstaart nog op het voetstuk en de menselijke romp was gevallen.



Vers 6

Teisterde hen.



Vers 12

Hulpgeroep.

Het was als één van de plagen in Egypte.



<