Hoofdstuk 3


Vers 1

Gods woord was schaars.

Dat was een oordeel. Het volk zocht steeds heil bij afgoden, dus bij demonen. Dat scheidt het volk van God.



Vers 2

Slaapplaats.

In de tabernakel was geen rustplaats.

Eli en ook Samuël rustten dus elders, buiten de tabernakel.


Eli.

Hij was ongeveer 98 jaar.

1 Samuel 4:15.



Vers 3

Voordat de kandelaar gedoofd werd.

In Leviticus 24:3 en 2 Kronieken 13:11 lezen we dat de kandelaar 's nachts brandde.

Het aansteken gebeurde bij het avondoffer om 15.00 uur.

Exodus 30:8.


God riep Samuël dus 's nachts, voordat de lampen 's ochtends gedoofd werden.

God riep waarschijnlijk vanuit het Heilige der Heiligen.



Vers 10

Verschijnt de HEERE?

Verschijnt de HEERE nu als een engel?



Vers 13

Voor eeuwig gericht.

Dus het oordeel zal niet opgeheven worden.


Niet zuur aangekeken.

Hier lees je dat als iemand het gezag heeft om het kwaad te keren en dat niet doet, dan wordt die persoon ook schuldig.



Vers 18

Samuël vertelt alles.

Dat had een profeet al eerder gedaan in 1 Samuel 2:27.


De HEERE doe ...

Dit is waarschijnlijk berusting en niet een uiting van vroomheid.



<