Migron.
De Naardense Bijbel heeft dorsvloer.
Silo.
De tabernakel was nog of was weer in Silo.
Noordkant.
De rotspunt Bozes.
Zuidkant.
De rotspunt Sene.
Misschien.
In vers 12 is "misschien" weg. Jonathan had geen opdracht van God, maar hij laat de uitkomst van de actie aan God over.
In de hand van Israël .
Jonathan is nederig.
Hij zegt niet:" in onze hand".
Er is ook geen "misschien " meer, zoals in vers 6.
Zij vielen.
Jonathan maakte zo een doorbraak in de omsingeling van Gibea.
Schrik van God.
God strijdt mee met Israël.
Breng de ark.
De ark stond in Kirjath-Jearim.
In de Septuaginta staat: breng de efod. Dat lijkt logischer en klopt met
Ahia moet de urim en de tummim raadplegen.
Ahia wil de stenen pakken, maar het hoeft al niet meer.
De één tegen de ander.
De Filistijnen strijden tegen elkaar.
Hebreeën als hulptroepen.
Deze Israëlieten lopen over.
Grote schrik bij de Filistijnen.
Later, als David met de Filistijnen meetrekt, zijn ze deze gebeurtenis nog niet vergeten.
Vervloekt.
Een vloek is een verderfbrengende uitspraak.
Jonathan moet sterven.
Een vloek is het tegengestelde van een zegen.
Zegenen = Goed spreken.
Vloeken = Kwaad spreken.
Woorden hebben kracht.
Jotham, de enige aan moord ontsnapte zoon van Gideon spreekt een vloek uit over de moordenaar Abimelech. De vloek komt uit.
Bileam moet van koning Balak het volk Israël vervloeken. Dan zou het slecht met Israël gaan. God zorgt er voor dat Bileam zegent.
Honing.
Honing wordt snel in het bloed opgenomen.
Jonathan vertrouwde op God, maar gebruikte ook zijn verstand.
Grote steen.
Het dier werd op die steen geslacht. Op die manier kon het bloed er beter uitlopen.
De priester.
Ahia de hogepriester.
God antwoordt niet.
Er zijn zonden gedaan.
Urim en de tummim.
In de Septuaginta staat:
Saul kon aan zijn ondoordachte eed ontkomen.
Ook Leviticus 27 zegt dat je door betaling onder beloften kon uitkomen.
Zo waar de HEERE leeft.
De eed van het volk komt tegenover de eed van Saul.
Zoba.
Machtige Syrische staat ten noorden van Damaskus.
Zonen van Saul.
Hier worden waarschijnlijk alleen de strijdbare zonen genoemd.
Isboseth, de latere opvolger, staat hier niet bij. Hij was 40 jaar toen hij koning werd.
Ook Abinadab ontbreekt. Of is dat Isvi?
Zware strijd.
Uiteindelijk sneuvelt Saul ook met zijn zonen, behalve Isboseth, in de strijd met de Filistijnen.