Hoofdstuk 14


Vers 2

Migron.

De Naardense Bijbel heeft dorsvloer.



Vers 3

Silo.

De tabernakel was nog of was weer in Silo.



Vers 5

Noordkant.

De rotspunt Bozes.


Zuidkant.

De rotspunt Sene.



Vers 6

Misschien.

In vers 12 is "misschien" weg. Jonathan had geen opdracht van God, maar hij laat de uitkomst van de actie aan God over.



Vers 12

In de hand van Israël .

Jonathan is nederig.

Hij zegt niet:" in onze hand".

Er is ook geen "misschien " meer, zoals in vers 6.



Vers 13

Zij vielen.

Jonathan maakte zo een doorbraak in de omsingeling van Gibea.



Vers 15

Schrik van God.

God strijdt mee met Israël.



Vers 18

Breng de ark.

De ark stond in Kirjath-Jearim.

In de Septuaginta staat: breng de efod. Dat lijkt logischer en klopt met 1 Samuel 14:3.

Ahia moet de Urim en de Thummim raadplegen.

Ahia wil de stenen pakken, maar het hoeft al niet meer.

1 Samuel 28:6.



Vers 20

De één tegen de ander.

De Filistijnen strijden tegen elkaar.



Vers 21

Hebreeën als hulptroepen.

Deze Israëlieten lopen over.

Grote schrik bij de Filistijnen.

Later, als David met de Filistijnen meetrekt, zijn ze deze gebeurtenis nog niet vergeten.



Vers 24

Vervloekt.

Een vloek is een verderfbrengende uitspraak.

Jonathan moet sterven.


Een vloek is het tegengestelde van een zegen.

Zegenen = Goed spreken.

Vloeken = Kwaad spreken.

Woorden hebben kracht.

Jotham, de enige aan moord ontsnapte zoon van Gideon spreekt een vloek uit over de moordenaar Abimelech. De vloek komt uit.

Bileam moet van koning Balak het volk Israël vervloeken. Dan zou het slecht met Israël gaan. God zorgt er voor dat Bileam zegent.



Vers 27

Honing.

Honing wordt snel in het bloed opgenomen.

Jonathan vertrouwde op God, maar gebruikte ook zijn verstand.



Vers 33

Grote steen.

Het dier werd op die steen geslacht. Op die manier kon het bloed er beter uitlopen.



Vers 36

De priester.

Ahia de hogepriester.



Vers 37

God antwoordt niet.

Er zijn zonden gedaan.



Vers 40

Urim en de Thummim.

In de Septuaginta staat:

Rust de schuld op mij of op Jonathan, laat dan de Urim verschijnen.

Als de schuld op het volk rust, laat dan de Thummim verschijnen.



Vers 41

Saul kon aan zijn ondoordachte eed ontkomen.

Ook Leviticus 27 zegt dat je door betaling onder beloften kon uitkomen.



Vers 45

Zo waar de HEERE leeft.

De eed van het volk komt tegenover de eed van Saul.



Vers 47

Zoba.

Machtige Syrische staat ten noorden van Damaskus.



Vers 49

Zonen van Saul.

Hier worden waarschijnlijk alleen de strijdbare zonen genoemd.

Isboseth, de latere opvolger, staat hier niet bij. Hij was 40 jaar toen hij koning werd.

Ook Abinadab ontbreekt. Of is dat Isvi?

1 Kronieken 8:33.



Vers 52

Zware strijd.

Uiteindelijk sneuvelt Saul ook met zijn zonen, behalve Isboseth, in de strijd met de Filistijnen.



<