Hoofdstuk 8


Vers 1

Tegen hem.

Efraïm is boos op Gideon.



Vers 2

Abiëzer.

Gideon noemt "Abiëzer " om het particuliere van zijn tocht te benadrukken.

Abiëzer is de familie van Gideon.

Hij zegt dat de 1e aanval van Gideon, van Abiëzer, de wijnoogst is, maar de nalezing van Efraïm is veel beter dan wat Gideon deed.

Efraïm nam zelfs 2 koningen gevangen.



Vers 5

Sukkoth.

Deze plaats lag in het stamgebied van Gad.

Geen hulp van Sukkot.

De inwoners van Sukkot beseffen dat als Gideon de overige twee koningen niet vangt, de Midianieten zich opnieuw zullen verzamelen.

Ieder die Gideon hielp zal zwaar gestraft worden.



Vers 7

Dorsen met woestijndorens.

Wat kan dit zijn?



Vers 8

Pnuel.

Stad in het stamgebied van Gad.


Hier harde woorden van Gideon. Heel anders dan tegen Efraïm.

Jaagt hij nu eigenbelang na. Ze erkennen zijn leiderschap niet.



Vers 10

Karkor.

De vijandige koningen zijn al buiten Kanaän. Ze zijn 160 km ten oosten van de Dode Zee.



Vers 11

Gideons tocht.

Hij trekt langs de karavaanroute Damaskus - Rabba - Arabië.


Zorgeloos.

De vijanden verwachtten nu geen aanval meer.



Vers 14

Schrijfkunst.

Deze willekeurige jongen kon schrijven. Maar al veel eeuwen eerder schreef men op klei of in steen. Spijkerschrift en hiërogliefen.



Vers 16

Negatieve daden van Gideon.

Hij liet het hen weten.

Hij las hen de les.

De Septuaginta heeft: hij dorste hen.

In de Syrische bijbel staat: hij martelde hen.



Vers 17

Zware straf.

Gideon verbande de stad.

Deuteronomium 13:12-18.

Hij treedt nu op als tiran.

Waarschijnlijk is Pnuël eerst gestraft. Dat klopt beter met de terugreis.



Vers 19

Bloedwraak.

Het doel van Gideon verandert van verlossing van Israël naar bloedwraak.



Vers 20

Jether.

Jether was de zoon van Gideon.

Als deze koningen gedood zouden worden door een jongen, dan zou de smaad groter zijn.



Vers 21

Maantjes.

Amuletten.

Astarte werd voorgesteld als maan.

Baäl als zon.

Ook de Islam heeft ½ maan.



Vers 22

Voorstel.

Men biedt Gideon een erfelijk koningschap aan.



Vers 23

Gideon wordt geen koning.

Gideon ziet het gevaar. In tijden van nood zal het volk op een mens, de koning, vertrouwen en niet op God.

Toch noemt Gideon zijn zoon Abimelech =

Ook doet Gideon een gooi naar het priesterschap volgens vers 27.



Vers 24

Gouden ringen voor Gideon.

Gideon wil toch eer en beloning.

Gideon maakte een "stamheiligdom " volgens vers 27.

Hij maakte ook een efod.

Werd hij zelf daar hogepriester?

Daar kwam helaas afgoderij van.

Priestergewaad en efod.

De tabernakel stond in Silo.

De efod in Silo bevatte de urim en de tummim. Daardoor sprak God.

Wordt Ofra nu concurrent van Silo?

Gebruikt Gideon nu God om zijn eigen positie te verstevigen. Hij lokt mensen naar Ofra.

Gideon roept zo de mensen juist niet op om God trouw te dienen.

Ismaëlieten.

Midian was een zoon van Abram en Ketura.

Dus Midian was géén nakomeling van Hagar.



Vers 26

1700 sikkels.

Tussen 17 - 30 kg goud.



Vers 27

Valstrik.

God had Silo gekozen als plaats voor de tabernakel.

Alleen de hogepriester uit de familie van Aäron mocht de efod dragen.

Gideon was hier niet op de goede weg.



Vers 28

Had rust.

Dit was voor Israël geen echte rust. Het was rust zonder echte aanbidding en zonder echte gehoorzaamheid.



Vers 30

Veel vrouwen.

Gideon had de allure van een koning.

Hij lijkt niet op Deuteronomium 17:17.


Zeventig zonen.

Richter Abdon.

Koning Achab.

Gideons buitenechtelijke zoon heette Abimelech = Mijn vader is koning.

Wat Gideon in naam niet wilde zijn, was hij in de praktijk wel. Hij gedroeg zich als koning.



Vers 31

Bijvrouw.

In Richteren 9:18 is ze een slavin. Dat zal dus geen Jodin geweest zijn.

Als het een Kanaänitische was, dan zondigde Gideon tegen

Ze wordt slavin genoemd. Was ze echt van lage komaf of was dit minachtend spreken over een heidin?


Abimelech.

= mijn vader is koning.


Gideon was geen koning, maar gedroeg zich wel zo.



Vers 33

Baäl-Berith.

Kanaänitische afgod van Sichem.



<