Hoofdstuk 5


Vers 1

Lofzang van Debora.

Veel meer dan in hoofdstuk 4 gaat het in hoofdstuk 5 over wat God doet.

Hij strijdt. Hij krijgt de eer.



Vers 2

Lof voor God.

Debora looft God voor het feit dat Hij leiders en volk gewillig maakte en moed gaf.


Het volk.

Vooral de stammen Naftali en Zebulon.



Vers 4

Wat bezingt Debora?



Vers 6

Samgar en Jaël.

Ze waren tijdgenoten.

Samgar verloste het zuiden, waar de Filistijnen overheersten.

Barak bevrijdde het noorden en Jaël doodde Sisera.



Vers 7

Dorpen.

De niet ommuurde plaatsen.

Daar was door de vele plunderingen niet meer te wonen.


Moeder in Israël.

Debora herstelt de maatschappelijke orde.

Daarna spoort ze de mannen aan tot de strijd.



Vers 8

Afgoden en oorlog.

Zodra Israël weer de afgoden ging dienen, kwam ook de straf van God: oorlog.



Vers 9

Wetgevers.

Dat waren leidinggevenden.

Hier waren het waarschijnlijk de legeraanvoerders.



Vers 10

Rijden op witte ezelinnen .

Dat deden de rijken.

Het zijn rechters.


Op mantels zitten.

Beter:

Dat zijn de rijken, die God moeten loven.


Op de weg wandelen.

Dat zijn de armen. Zij moeten ook God loven.



Vers 11

Tussen waterputten.

Ook op die plaatsen moest men over Gods grote daden spreken.



Vers 14

Machir.

Machir is de zoon van Manasse.



Vers 15

Ruben.

Deze stam nam zich van alles voor, maar deed niets.


Juda???

Er is, opmerkelijk , geen verwijt aan Juda, dat dichterbij woonde dan Ruben.



Vers 17

Geen hulp.

De stammen in het Over-Jordaanse hielpen niet.

Ook van Juda lezen we niet dat die stam hulp bood.



Vers 18

Zebulon en Naftali.

Dit waren de stammen die direct Debora en Barak volgden. Zij stelden hun levens in de waagschaal.



Vers 20

De HEERE streed.



Vers 21

God streed. God overwon.

Sisera verwachtte geen regen, anders had hij zijn strijdwagens niet bij de beek Kison opgesteld.

God gaf veel regen. God streed voor Israël.

Barak wordt hier niet eens genoemd.



Vers 23

Vervloek.

Meroz is een stad van Israël die zich afzijdig hield.

De stammen van Dan en Aser en Juda kwamen ook niet. Ook het Over-Jordaanse ontbrak.

Wie niet gehoorzaam was, werd vervloekt.

Maar... wie gehoorzaam was, werd gezegend. God streed en Israël hoefde alleen te achtervolgen.



Vers 30

Meisjes.

Het woord meisje is hier te vriendelijk.

Sisera heeft het leven van veel Israëlitische vrouwen kapot gemaakt.

Nu sterft hij door een vrouw, Jaël.

Hij verliest van een vrouw, Debora.



<