Micha.
Letterlijk heet hij hier:
Micha-jahu = wie is aan God gelijk.
Verderop heet hij alléén Micha. Opvallend is dat de naam van God dan weg is.
Afgoderij van Micha.
Dit gebeurde waarschijnlijk kort na de dood van Jozua, want de kleinzoons van Mozes en Aäron spelen hier nog een rol.
Richteren 18:30.
Richteren 20:28.
Uitgesproken vloek.
De moeder van Micha had een vloek uitgesproken over een onbekende dief.
Micha is die dief. Micha steelt voor zijn afgoderij.
Hij vreest nu voor die vloek en biecht alles op.
Ook moeder gelooft in de uitwerking van de vloek en verandert die snel in een zegen.
Ook Jotham, zoon van Gideon, sprak in Richteren 9:20 een vloek uit over Abimelech. Die kwam ook uit.
Voorwaardelijke vloek?
In het oosten gold een zegen of een vloek als onherroepelijk. Zie bij de zegening door Izak.
Waarschijnlijk was de vloek van deze moeder van Micha voorwaardelijk.
Geheel aan de HEERE geheiligd.
Deze belofte maakt deze vrouw niet waar. Ze geeft slechts 200 zilverstukken. Ze houdt er 900 achter.
Afgodsbeeld maken.
De moeder van Micha liet voor Micha een afgodsbeeld maken.
Zo stelde ze hem juist bloot aan de vloek van God volgens
Ze zondigen tegen het 2e gebod.
Gegoten beeld.
Dat is mogelijk alleen het voetstuk. Het gesneden beeld werd daarop geplaatst.
Een godshuis.
Micha maakte een familietempel.
Zijn zoon was priester, hoewel die uit de stam van Efraïm was.
Terafim.
= huisgoden.
Men doet wat goed is in eigen ogen.
Wat hier bij Micha in het klein gebeurt, doen de Israëlieten ook. Ze doen wat ze zelf goed vinden en bekommeren zich niet om Gods woord.
Ieder deed wat in eigen oog juist was.
Een jongeman.
Volgens Richteren 18:30 heette hij Jonathan.
Hij was Leviet, kleinzoon van Mozes, ouder dan 30 jaar.
Levieten offerden soms wel in het land, denk maar aan Samuël.
Bethlehem.
Er waren 2 steden die Bethlehem heetten.
Geen van beide was een stad van de Levieten.
Vader.
Vader is hier een leraar, iemand die Gods woord onderwijst.
Het is ook een titel die op gezag wijst.
Beloning.
Levieten worden niet betaald, maar leven van offergaven.
Leviticus 10:12-20.
Leviet.
Dat is Jonathan.
Priester.
Alléén zonen van Aäron mochten priesters zijn.
Jonathan was een kleinzoon van Mozes.
Zegen van de HEERE?
Voorspoed is nog geen zegen.
Ze willen God dienen m.b.v. dit beeld.
Ze willen God dienen op hún manier.
Een priester moest een nakomeling van Aäron zijn.