Hoofdstuk 4


Vers 1

Strijd in ons lichaam.



Vers 2

Begeren.

Ze begeren eer en wereldse rijkdom.

Gij benijdt.

De HSV volgt, met de SV, Erasmus.

Er staat eigenlijk:

Ze willen dus de tegenstanders uitschakelen.



Vers 3

Sommigen bidden wel.

Ze krijgen niets, want ze willen Gods gaven voor eigen plezier besteden.



Vers 4

Overspelig.

Dat is in godsdienstig opzicht. Ze beloofden hun liefde aan God, maar geven die aan de wereld.


Vijand van God.



Vers 5

Schrift.

In de bijbel vinden we dit niet. Misschien in een niet-canoniek boek.



Vers 6

De Schrift zegt.



Vers 7

Bied weerstand.

Dat is heel concreet de duivel en zonde nergens meer toelaten. Geef satan geen plaats. Dat kan leiden tot gebondenheid.

Efeze 4:27.

Efeze 6:11-13.

1 Petrus 5:9.


Van u vluchten.

We moeten de duivel geen enkele kans geven. Dat was Israël ook streng verboden.

De context.

God vraagt veel van ons!

  1. Onderwerp u. Vers 7.
  2. Bied weerstand. Vers 7.
  3. Nader tot God. Vers 8.
  4. Reinig de handen. Vs.8.
  5. Zuiver de harten. Vs.8.

God wil géén luie christenen.



Vers 8

Nader tot God.

We moeten in geloof, in gehoorzaamheid tot God gaan. God nadert dan tot ons met Zijn genade.

God benadrukt onze verantwoordelijkheid en niet onze onmogelijkheid.

Dubbelhartigheid.

Belang van bekering.

Hoe belangrijk God bekering vindt, lees je in Jeremia 18. Bekering of geen bekering kan Gods plan totaal veranderen.



Vers 9

Besef uw ellendige staat.

Dat is de staat van de "vleselijke christenen" waaraan Jacobus schrijft.

Dat zijn baby's in het geloof.

Dit is NIET de staat waarin de volwassen gelovigen, de "geestelijke christenen" zich bevinden.

Zij zijn ervan verzekerd dat niets hun kan scheiden van de liefde van Christus.

Blijdschap moet veranderen in droefheid.

Deze baby-christenen mogen best diep bedroefd worden over hun toestand.

Ze moeten bedroefd zijn dat ze geestelijk niet groeien.



Vers 11

Kwaadsprekerij.

Als we kwaadspreken van elkaar, dan missen we de liefde.

Dan staan we schuldig.

Paulus noemt zulke mensen "vleselijk".



Vers 12

Eén Wetgever.

Vrees deze God, die zalig maakt of veroordeelt.



Vers 13

Wíj zullen...

Jacobus maakt duidelijk dat we meer moeten beseffen dat we in alles helemaal afhankelijk zijn van wat God wil.

Wíj bepalen niets.



Vers 15

Als de HEERE wil.

Jacobus berispte mannen die er prat op gingen hoe succesvol hun zaken zouden gaan.

Ze waren arrogant.

Ze waren hoogmoedig en hielden géén rekening met Gods wil.

Gods wil is niet dat we rijkdom nastreven.

Die personen moesten meer denken aan



Vers 17



<