Hoofdstuk 2


Vers 1

Zonder aanzien van de persoon.

Geen partijdigheid.

Niemand voortrekken.

Geen 1e klas en 2e klas christenen.



Vers 2

Samenkomst.

Jacobus gebruikt NIET het woord ekklesia = gemeente.

Waarschijnlijk gaat het over de synagoge of over een rechtszitting, maar onze houding moet dezelfde zijn, waar dan ook.



Vers 5

Erfgenamen van het koninkrijk.

Broeders horen nú al bij het geestelijke koninkrijk, maar in de toekomst zullen ze ook het aardse koninkrijk erven, het Messiaanse rijk.



Vers 6

Rijken.

Het gaat hier waarschijnlijk over wereldse rijke mensen. Ze behandelen arme christenen slecht.



Vers 7

De goede Naam.

Ze lasteren de Naam van Jezus. In die Naam zijn de christenen gedoopt. Naar de Naam Christus worden ze christenen genoemd.



Vers 8



Vers 9

U begaat een zonde.

Partijdigheid is geen liefde.

De wet vraagt juist liefde.



Vers 10

Schuldig aan alle geboden.

We overtreden dus niet 1 artikel van de wet, maar we overtreden de wet.



Vers 12

Wet vd vrijheid.

Romeinen 8:2.

Zie aantekeningen Jacobus 1:25.



Vers 13

Barmhartigheid.



Vers 14

Kan dat geloof zalig maken?

Het Grieks veronderstelt een ontkennend antwoord.



Vers 15

Schrijnend voorbeeld.

De eerste gemeente in Jeruzalem had een totaal andere praktijk.



Vers 17

Dood geloof.

Dood geloof is géén echt geloof.

Het mist de goede werken. Dat zijn juist de kenmerken van het echte geloof.

Conclusie.

Vers 17 is de conclusie uit de verzen 14-16.



Vers 18

Goede werken horen bij geloof.

Je kunt niet alleen geloof hebben of alleen de goede werken. Ze horen bij elkaar.

Een echt geloof hééft goede werken.



Vers 19

Geloof van demonen.

Demonen geloven het wel dat God er is, maar ze hebben de goede werken niet.

Ze geloven zelfs dat Jezus Gods Zoon is, maar dat is niet zaligmakend.

Demonen geloven wel dat er een God is, maar hun geloof heeft geen geloofsvruchten.

Wie Deuteronomium 6:4 belijdt is nog niet zeker een broeder of zuster in Christus. De geloofsvruchten laten zien dat het geloof oprecht is.



Vers 21

Abrahams geloof als voorbeeld.

Abraham deed wat God vroeg. Geloven = gehoorzamen.

Zijn geloof had goede werken.

Werken maken het geloof volmaakt en horen onlosmakelijk bij het ware geloof.



Vers 23

Vriend van God.

Abraham is de enige die vriend van God wordt genoemd.

Abraham offerde zijn zoon. Hier bleek het geloof van Abraham. God offerde ook Zijn Zoon.



Vers 24

Gerechtvaardigd uit werken.

De bedoeling van Jacobus is om te laten zien dat we gerechtvaardigd worden door het geloof, maar dan alleen écht geloof dat goede werken, geloofsvruchten, voortbrengt. Hij vindt dit een zo belangrijk kenmerk van het geloof dat hij zelfs schrijft "gerechtvaardigd uit de werken".

In Romeinen 4:2-3 spreekt Paulus over: alléén geloof.

Jacobus en Paulus laten ieder een kant van dezelfde medaille zien.

Paulus is het roerend eens met Jacobus. Ook Paulus vindt geloofsvruchten heel belangrijk.



Vers 25

Staat en stand.

Rechtvaardige werken (onze stand) laten onze rechtvaardigmaking (onze staat) zien.

God ziet ons geloof, de mensen zien onze geloofsvruchten.


Langs een andere weg.

Het geloof van Rachab werd zichtbaar in werken.

Jozua 2:1.

Jozua 6:23.

Hebreeen 11:31.



Vers 26

Sterven.

De geest verlaat het psychische lichaam.

Zie ook uitleg bij Genesis 35:18.


Levend worden.

De geest komt of keert terug.



<