Hoofdstuk 6


Vers 1

Fundament.

De schrijver noemt in de verzen 1 en 2 zes leerstellingen. Die vormen het fundament van de christelijke leer.

Een fundament leg je 1x.

Het fundament is géén doel, het huis dat daarop komt is het doel.

Geestelijke groei is het bouwen van het huis.


Wat rekent de schrijver tot fundament?

  1. Bekering van dode werken.
  2. Geloof in God.
  3. Leer van dopen, ceremoniële reinigingen.
  4. Leer van handoplegging. Handen die op het offerdier gelegd werden.
  5. Opstanding van doden.
  6. Het oordeel.

Dit is het fundament. Het is zo over te zetten naar Jezus. Hij is het Fundament.

Groei is nodig.

Zaken die nodig zijn om te groeien tot volwassen christenen, dat is vast voedsel bv.

Dode werken.

In de Bijbel is een dode onrein.

Dode werken zijn dus onreine daden, zondige daden.



Vers 2

Leer van de dopen.

Dopen = baptismos.

Dat is:

In het Engels: baptize .

De Engelse Koning Jacobus I (King James) wilde zijn bijbelvertaling (King James Version) niet in opspraak brengen bij de babydopers die baby's besprenkelen. Daarom werd het woord baptizo niet vertaald, maar overgenomen als baptize.

De tussenvoeging "iz" geeft altijd aan dat het iets veroorzaakt. Er gebeurt iets. Als je een fles onderdompelt, druipt het water eraf. Als je een spons onderdompelt, neemt de spons water op.

Wij worden gedoopt, ondergedompeld, in de Naam van Vader, Zoon en Geest. We worden er één mee, net als de spons.

De basisvorm is "bapto"= indopen, onderdompelen.

3x Bapto

Meerdere dopen.

"Dopen" staat hier in meervoud. Dus er zijn meerdere dopen.

Reinigingen.

De schrijver richt zich tot Joden. Waarschijnlijk gaat het niet over "dopen", maar over reinigingen.

De “leer van reinigingen” wijst op voorschriften die God aan Israël heeft gegeven aangaande het wassen met water. Daarbij gaat het erom zaken of mensen die verontreinigd zijn door verbinding met de zonde, rein te maken, zodat ze weer in dienst van God gebruikt konden worden.

Jezus reinigt ons van elke zonde. Alles wordt in Hem vervuld.


Handoplegging.

De leer “van handoplegging” slaat op wat bijvoorbeeld bij het offeren moet gebeuren. De offeraar legde zijn handen op de kop vh offerdier. Zo droeg hij de zonden over. Handoplegging betekent het zich één maken, in dit geval, met het offer .



Vers 3

Dat zullen we ook doen.

Over dat eerste (vers 1+2) onderwijs zal de schrijver het zeker nog een keer hebben.



Vers 4

Wat is onmogelijk?

Eens verlicht.

Daarbij onderstreep ik dat de onmogelijkheid om nog eens vernieuwd te worden tot bekering alléén hen betreft die uiterlijk wel deel hebben aan de voorrechten van de verzen 4-5, maar innerlijk geen nieuw leven hebben.

Schijnchristenen dus.

Tijdgelovigen.

Moeilijk.

Niemand zal de gelovigen uit de hand van Jezus rukken.

Soms lijkt het of gelovigen kunnen afvallen. Kan iemand zélf de relatie met Jezus verbreken? Zoals Judas.

5 Kenmerken van mensen die afvallig worden.

  1. Ze hebben licht ontvangen. Ze waren bekend met de waarheid. Ze hebben ermee geleefd.
  2. Ze hebben de hemelse gave geproefd en gesmaakt. Proeven en smaken is iets anders dan Jezus eten. Jezus zegt dat we Hem moeten "eten en drinken". Johannes 6:54-56.
  3. Ze zijn deelgenoot (van buitenaf deelnemen) van (de) Heilige Geest, de Heilige Geest als krácht. Je kunt in het krachtenveld van de Heilige Geest geweest zijn, zonder dat Gods Geest in je woont. Denk aan Bileam. Numeri 24:17. Er wordt hier niet gesproken van inwoning van de Heilige Geest, want wie door de Geest geleid wordt, ís kind van God. Romeinen 8:14.
  4. Ze hebben het goede woord geproefd, maar het was tijdgeloof. Ze missen de wortel. Mattheus 13:6.
  5. Ze hebben de krachten van de toekomstige eeuw geproefd. Ze hebben tekenen en wonderen gezien, echter zónder wedergeboorte. 1 Timotheus 1:20.

Hun afval heeft niet te maken met onwetendheid. Hun afval is heel bewust.

Ze maken Jezus te schande.


De hemelse gave.

Jezus noemt Zich het hemelse Brood, het Manna, dat de Vader geeft.

Mijn Vader geeft het u. Die "u" zijn de ongelovige farizeeërs.

Ook deze ongelovige Hebreeën hebben "de hemelse Gave" geproefd, maar niet opgegeten.

Waarschijnlijk hebben ze in de gemeente ook het avondmaal gevierd, de dood van Jezus verkondigd. Ze hebben de hemelse Gave geproefd.


Deelgenoot van de Heilige Geest.

Ze leefden met de bijbel. Ze lazen er uit.

De bijbel is door de Heilige Geest geïnspireerd.

Ze zagen in de gemeente geestesgaven. Ze konden bij gelovigen de vrucht van de Geest zien.



Vers 5

Krachten van de komende wereld?

De evangelieverkondiging ging gepaard met tekenen en wonderen. Gods Geest werkte krachtig mee.

Dat heeft ieder in de gemeente meegemaakt.

Gelovigen bezitten de Heilige Geest als "onderpand". Ze bezitten nu al een voorschot van de krachten van de toekomende eeuw.

Ze kennen gerechtigheid, vrede, blijdschap enz.

De krachten van de toekomende eeuw hebben deze Joden ook gezien toen Jezus op aarde was. Door Zijn wonderen liet Jezus zien dat het koninkrijk der hemelen gekomen was. Hij zei dat ook duidelijk.

Voor mensen die in christelijke gezinnen zijn opgegroeid , gelden ook deze, in de tekst genoemde, kenmerken. Ze horen bij het koninkrijk van God, maar ze horen niet door geloof bij de gemeente van Christus.

Het koninkrijk van God heeft volgens de gelijkenissen:

De gemeente van Jezus bestaat voor 100% uit gelovigen.


Geproefd.

Deze schijnchristenen hebben het woord wel geproefd, maar ze hebben het niet "opgegeten". Ze hebben zich er niet mee vereenzelvigd.

Een ware christen eet het vlees en drinkt het bloed van Jezus en wordt zo volwassen.


Toekomende eeuw / wereld.

Volgens Joodse begrippen begint de toekomende eeuw met de opstanding van de gelovigen, de eerste opstanding, de zalige opstanding.

In de toekomstige eeuw regeert de Messias.



Vers 6

Afvalligen.

De mensen om wie het hier gaat, behoorden eerst bij het Joodse volk dat de Zoon van God heeft gekruisigd. Vervolgens hebben ze dit als zonde erkend en zijn ze de Heere Jezus als Messias gaan belijden. Maar nu bedrijven ze dezelfde misdaad willens en wetens zelf door terug te keren naar de Joodse leer, terwijl zij het christendom met de verheerlijkte Heere de rug toekeren. Het betreft niet mensen die in onwetendheid handelen. Voor zulke mensen bad de Heere Jezus: “Zij weten niet wat zij doen”, terwijl afvalligen tegen beter weten in handelen. ‘Afvalligen’ zijn zij die verlicht waren en Christus als de Zoon van God hebben erkend, Zijn kruisiging als zonde hebben beleden, maar daarop terugkomen en Hem toch voor een verrader houden Die terecht is gekruisigd. Dit zijn geen onwetenden.



Vers 7

De aarde.

Dat is hier een beeld van ons hart.

Wat ontkiemt en groeit daar?


De regen.

De ‘regen’, dat wil zeggen de zegen van de hemel, daalt op de belijder neer in de vorm van

Bij de echte christen zal het gevolg van deze ‘regen’ vrucht voor God zijn in het brengen van lofoffers en het volgen van de Heere Jezus.

Bij de naambelijder, de afvallige, blijkt dat de regen geen vrucht in zijn leven voortbrengt, maar alléén onkruid. Dat komt omdat er niets in de grond zelf aanwezig is wat vrucht kan voortbrengen: er is geen nieuw leven, geen inwonende Heilige Geest.

Wat zijn de kenmerken van het echte leven?

  1. Streven naar de geestelijke volwassenheid.
  2. Geestelijke vruchten voortbrengen.
  3. Goed en kwaad kunnen onderscheiden.
  4. Gehoorzaamheid aan de wil van God.

We moeten geen baby's blijven, maar leraars worden.



Vers 8



Vers 9

Betere dingen.

Betere dingen dan de dingen in de verzen 4 t/m 8 beschreven werden.

De Hebreeën horen niet tot de groep van de afvalligen.

De Hebreeën hebben wél vruchten van de Geest.

Dat zijn géén grote geloofsdaden, maar liefdedaden, betoond aan medemensen. Dat zijn dus de "betere dingen".


Betere dingen.

Deze gelovigen lijken op Jezus. De schrijver noemt duidelijke kenmerken van deze gelovigen.




Vers 10

God is niet onrechtvaardig.

We krijgen vroeg of laat beloning. God beloont ons naar onze werken. Dit loon verschilt per christen.

Zorg wel dat het goede werken zijn, anders krijg je geen loon of een klein loon.

Dienen.

Dienen in liefde.

Geloof moet zichtbaar worden in goede werken.

De Hebreeën waren wel traag, ze hadden geestelijk meer volwassen kunnen zijn, maar ze dienden wel in de liefde. Ze hadden God lief boven alles en de naaste als zichzelf.

Wat ze van God leerden, kreeg een vertaalslag naar het dagelijkse leven, dienen en zelfverloochening.

Dit liefdevolle werk zal God niet vergeten.

God zal loon geven naar werken.



Vers 11

Ieder van u dezelfde inzet toont.

Dezelfde inzet om de liefde zichtbaar te maken.

Ook de hoop moeten zij en wij vasthouden. Die hoop heeft alles te maken met Gods beloften. Daardoor hebben we gegronde hoop.

Die hoop moet al ons leed verzachten.

Niet elke Hebreeër vertoont evenveel vrucht. Dat is wel het verlangen van de schrijver.


Strijd in ons hart.

De hoop wordt soms aangevochten, omdat we nú nog niet zien dat aan Jezus alle dingen onderworpen zijn.

We hebben hoop dat alles goed zal komen. Die hoop richt zich op Gods beloften! Dat is gegronde hoop.

Christelijke hoop is zekerheid.

Onze hoop is Jezus.



Vers 12

Niet traag worden.

Waar het nu op aankomt, is te volharden met dezelfde ijver die zij in het begin aan de dag hebben gelegd. Ze zijn al traag geworden in het horen

Het gevaar dat ze ook traag zullen worden in hun werken, is dus niet denkbeeldig.


Geloof en geduld.

De beloften staan in de bijbel.

Geloof is nodig om het beloofde te ontvangen.

Daarvoor is ook geduld nodig. Abraham moest wel 25 jaar wachten tot Izak werd geboren. Het vraagt geduld om deel te krijgen aan de beloften.

Geduld is volhardend geloof.


Beloften beërven.

De belofte wordt vervuld en het beloofde wordt ontvangen.

Hoe?

Door ons geloof.


Navolger zijn.

De schrijver geeft in Abraham een voorbeeld.

Zo moeten wij, net als Abraham, volhardend geloven.

Wees navolgers van de geloofshelden die later in Hebreeen 11 worden beschreven.



Vers 13

Abraham.

De schrijver neemt Abraham als voorbeeld.

Hij is de vader van alle gelovigen.

Wij moeten dóen zoals hij.

Hij geloofde onvoorwaardelijk in Gods beloften:

Zweren bij Zichzelf.

God is de Waarheid zelf.

God zweert bij Zijn heiligheid.

Dus als God een belofte geeft, vervult Hij die ook.

De allerhoogste God stelt Zich garant voor de vervulling van de belofte.

Twijfel NOOIT aan Gods beloften, maar aanvaard ze in geloof.

Heel bijzonder dat God aan de belofte een eed verbindt.

Eigenlijk is dat niet nodig, maar God doet dat om alle twijfel bij ons weg te nemen.

Wie zo op God vertrouwt (= gelooft) komt nooit beschaamd uit.



Vers 14

Rijk zal Ik u zegenen.



Vers 15

De belofte verkregen.

De belófte van een groot nageslacht had Abraham al, maar hij kreeg ook de vervúlling van het beloofde.

Izak, de zoon van de belofte, werd geboren.


Geduldig gewacht.

Abraham wachtte 25 jaar totdat Izak werd geboren.

Hij twijfelde nooit aan Gods beloften.



Vers 16

Mensen zweren een eed.

Bij het afleggen van een eed gebruiken wij Gods naam.

" Zo waarlijk helpe mij God almachtig ".


Jezus zegt: "Zweer in het geheel niet".

Is dan "ik beloof het" beter?


Eind van elke tegenspraak.

Wie de eed zweert, bevestigt daarmee dat hij de waarheid spreekt.

Op meineed staat zware straf, 3 maanden tot 6 jaar celstraf.



Vers 17

Erfgenamen van de belofte.

God zweert bij Zichzelf.

God zweert bij Zichzelf. God is de God van de waarheid. God zweert dat Zijn beloften waarheid zijn en dat Hij ze waar zal maken.

Onveranderlijk raadsbesluit.

Dat besluit verandert niet. God belooft en doet er een eed op. God is niet grillig.



Vers 18

2 onveranderlijke dingen.

  1. Gods belofte.
  2. Gods eed.

Door deze 2 onveranderlijke dingen benadrukt God de onveranderlijkheid van ZIJN raadsbesluit.

Sterke troost.

De sterke troost is het doel van Gods beloften en Gods eed.

Psalm 119:49-50 zegt:

Die hoop moeten we vasthouden.

Gods belofte maakt ons levend, als we die belofte geloven. Voor de vervulling is geduld nodig.


Welke hoop ligt er voor ons?

Het geloof in Gods beloften is de vaste grond voor onze hoop.

We hopen op de heerlijkheid, op de erfenis.

We zullen delen in de heerlijkheid van Jezus.

2 dingen en géén 3.

Er wordt ons bij een kinderdoop wel verteld dat de doop "een stempel is op Gods beloften". Een teken en zegel van Gods beloften.

God geeft echter 2 (twee) onveranderlijke dingen:

  1. Zijn belofte.
  2. Zijn eed.

Een stempel, een teken of zegel van de doop dat de belofte van God moet onderstrepen, kent de schrijver van Hebreeën niet. Dat staat nergens elders in de bijbel.



Vers 19

Onze hoop is vast en onwrikbaar.

Jezus is ónze Hoop.

Wie deze hoop vasthoudt, mag blijdschap en vrede hebben.

Hoop heeft niet te maken met gevoel, maar met één Persoon.

Bijbelse hoop is zekerheid. De zekerheid ligt in Christus.

Tot in het binnenste heiligdom.

Dat is het Heilige der Heiligen in de hemel.

Daar staat Gods ark.

Daar deed Jezus verzoening met Zijn eigen bloed.

Op dat verlossingswerk richt ons geloof zich.

In dat werk en in Die Persoon ligt het anker van onze hoop.

Houd dat anker stevig vast. Het anker ligt in goede grond.

Een schip dat het anker kwijtraakt, raakt op drift.



Vers 20

Voorloper.

Jezus ging voorop.

Hij baande de weg naar Zijn Vader.

Jezus' lichaam is een voorhangsel. Toen Zijn lichaam scheurde aan het kruis, scheurde ook het voorhangsel in de tempel. Door Jezus, alléén door Hem, is er nu een vrije toegang tot de Vader.

Wij moeten Hem volgen in geloof.

Dan zijn wij ook kinderen van God.

Lees!

Lees de waarschuwing in



<