Hoofdstuk 1


Vers 1

Titus.

Titus betekende veel voor Paulus.

Waarheid.

Paulus verbindt hier geloof en waarheid.

Alles wat God spreekt, is de waarheid. Hij is De Waarheid. Hij kan niet liegen. Bouw je geloof op die betrouwbare God.

Het onderwijs over waarheid verbindt Paulus aan een godvruchtig leven. Zo ook moet het geloof zichtbaar zijn in goede werken.

Doel en inhoud van de brief.

Paulus wil, net als Jacobus, dat het geloof zichtbaar wordt in goede werken.

De gemeente moet een licht zijn. De gelovigen moeten het beeld van Jezus vertonen, overal en altijd.



Vers 2

Hoop op het eeuwige leven.

In 1 Johannes 5:11 staat dat we het eeuwige leven nu reeds hebben. Dat eeuwige leven begint als we wedergeboren worden.

Dat leven hebben we ín ons, maar we leven helaas nog in een zondige wereld en met een zondig lichaam.

Hier lijkt het of eeuwig leven pas toekomst is. Maar... in die toekomst is de omgeving in overeenstemming met het leven in ons. In de toekomst zullen we altijd bij de Heere zijn en Hem gelijk zijn.

Wat staat er in de grondtekst?

Hoop op het eeuwige leven.

Het Grieks kent géén woord voor "eeuwig".

De vertaling wordt afgeleid uit het tekstverband.

Het Grieks omschrijft "eeuwig" als : tot in het tijdperk (aionas) van de tijdperken (aionen).

Vgl.

In vers 2 staat dus: de hoop op het tijdperk-durend leven. Dat is het vrederijk.


Beloofd, vóór de tijden..

Vóór de tijden was alleen Jezus er, met de Vader en de Geest.

Jezus is het eeuwige Leven.

Jezus is ónze Hoop. We hopen op Hém en op het eeuwige leven dat Hij geeft.

Hij zal dat beloofde eeuwige leven geven aan ieder, die in Hem gelooft.

Zijn woord geopenbaard.



Vers 3

Het bevel van God.

God riep Paulus om prediker onder de heidenen te zijn.

God, onze Zaligmaker.

Onze Zaligmaker is Jezus. Die wordt hier God genoemd.

"Zalig, zalig maken, Zaligmaker" komt in deze brief steeds terug. Hier gaat het om.





Vers 4

Titus.

Mijn oprechte zoon.

Titus is de echte geestelijke zoon van Paulus.

Deze heiden en deze Jood horen door het gemeenschappelijke geloof tot dezelfde gemeente van Christus.


Genade, barmhartigheid en vrede.

Deze zegenwens komen we vaker tegen.



Vers 5

Kreta.

Daar woonden veel Joden.

We weten niet wanneer Paulus op Kreta was.


Ouderlingen.

Het gaat om leiders. Ze moedigen aan om voor Christus te leven, ondanks alle tegenstand.


Van stad tot stad.

Er waren op Kreta dus meerdere gemeenten.



Vers 6

Eigenschappen.

Ook in de brief aan Timotheüs staat een lijst van eigenschappen waaraan ouderlingen moeten voldoen.

De eigenschappen die aan de oudsten gesteld worden, zijn ook gedragsregels voor ons.

De eigenschappen zijn zichtbaar in hun levens, maar ook ons leven moet in overeenstemming zijn met deze gedragsregels.


De meeste eigenschappen hebben te maken met het karakter. Dat wordt zichtbaar in het leven en in de omgang met anderen.

Belangrijk is dat hij doeltreffend en indringend Gods woord kan doorgeven.


Onberispelijk.

Er moet geen enkele aanklacht tégen hem ingebracht kunnen worden.


Eén vrouw.

Als de kandidaat-oudsten in hun heidense tijd meer vrouwen hadden, dan kunnen ze geen oudsten worden.

Ze moeten het beeld van God en Jezus vertonen.

God heeft Israël als enige vrouw.

Jezus heeft de gemeente als Bruid.

Deze tekst staat ook geen ambt toe aan een homo die een seksuele relatie heeft.



Vers 7

Oudste = opziener.

Hij is in Gods gemeente geen eigenaar, maar rentmeester. Hij moet toezicht houden.


Het huis van God.

Ef 2:20-22.

1 Corinthiërs 3:16.


Samengevat.

Een oudste moet zijn:



Vers 9

Het werk van de ouderling.

  1. Mensen bemoedigen.
  2. Onderwijs geven uit de bijbel.
  3. Dwaalleer weerleggen met de bijbel.



Vers 10

Dwaalleraars.

Judaïsten. Deze Joden leerden, dat de heidenen ook de Joodse wetten moesten houden. Veel verwarring kwam daardoor.

Paulus leerde dat een heiden NIET eerst Jood hoefde te worden, voordat hij christen werd. Ook besnijdenis was niet nodig.

Dit onderwerp wordt behandeld in de brief aan de Galaten.



Vers 11

Om schandelijke winst.

Het gaat om hebzucht.

Dat is de zonde van Bileam.

Voor die zonde wordt vaker gewaarschuwd.



Vers 12

Epimenides, hun profeet.

Paulus citeert Epimenides, een Kretens, die 600 jaar eerder leefde.

"Leven als Kretenzer" was een standaarduitdrukking voor leugen en bedrog.


Volkszonden.

  1. Liegen.
  2. Wellust.
  3. Luiheid.

Taak van Titus.

Titus moet er zorg voor dragen, dat deze slechte volksaard verdwijnt uit de gemeenten.



Vers 13

Dit getuigenis is waar.

Wat Epimenides 600 jaar eerder al zei, dat geldt in Paulus' tijd nog steeds. Het zit diep geworteld in de Kretenzen.


Gezond in het geloof.

Hun leven moet de vrucht van de Geest laten zien en alles wat bij het oude heidense leven hoorde, moet verdwijnen.

Wie gelovig is, heeft immers de oude mens gekruisigd.

Die dode oude mens is in het doopwater begraven.

De Kretenzers zijn ook uit het doopwater opgestaan en dat betekent dat ze met Christus gaan leven.

Ze hebben zich met Christus bekleed. Dat moet duidelijk zichtbaar zijn!

Daar moet Titus ze opnieuw op wijzen.



Vers 14

Geboden van mensen.

Jezus keerde zich ook al tegen de menselijke geboden die de farizeeërs het volk oplegden. Die "inzettingen van de ouden" zaten er nog steeds goed in bij de Joden op Kreta.



Vers 15

Hun verstand is bezoedeld.

Wie slecht is, ziet zelfs in het goede nog iets slechts. Richt je gedachten op God, vul je gedachten met goede dingen, dan blijft er geen plaats voor het verkeerde.


Voor ongelovigen is niets rein.



Vers 16

Geloof en leven.

Het geloof moet zichtbaar worden in goede werken.

De vrucht van de Geest moet er zijn.

Op Kreta strijdt de levenswandel met het geloof. Ook Johannes zegt duidelijk dat dit niet kan.

Ze zijn ongehoorzaam.

Wie ongehoorzaam is, is ongelovig.



<