Hoofdstuk 2


Vers 1

Gesterkt in de genade.

We moeten onze kracht niet zoeken in onszelf, maar in Jezus.

Het "gesterkt worden" gebeurt ook door actie van onszelf.



Vers 2

Opleiding van predikers.

Ieder die het evangelie doorgeeft is een schakel tussen voorgeslacht en nageslacht. Dat is erg belangrijk.

Timotheüs moet niet alleen het evangelie bewaren, maar ook het evangelie doorgeven aan trouwe mensen die zelf ook weer het evangelie kunnen onderwijzen.



Vers 3

Verdrukking lijden.

Verdrukking hoort bij het christen-zijn.

Het lijden van Paulus blijkt uit het geduldig zijn in alle moeiten.

Wees geduldig in de verdrukking, want er wacht beloning.


Voorbeeld 1 : Een goede soldaat.

Een soldaat is aangenomen om te strijden. Dat kan je veel kosten: verwondingen, blessures, verminking, de dood zelfs.

Zo moet Timotheüs, zo moet ik, een echte christenstrijder zijn, met grote inzet, met bereidheid tot lijden.



Vers 4

Voor krijgsdienst aangenomen.

Een soldaat moet zich richten op de commandant. Hij moet zijn bevelen uitvoeren. Wij richten ons op Christus. We doen Zijn geboden, we dragen Zijn wapenrusting en zo behalen we de overwinning.



Vers 5

Voorbeeld 2.

Een wedstrijd. Een atleet moet de spelregels in acht nemen, anders wordt hij gediskwalificeerd.

Ook wij moeten Gods regels in acht nemen. Zo alleen ontvangen we de overwinningskrans.



Vers 6

Voorbeeld 3.

Hard werken en wachten. De boer ziet uit naar de vrucht in de toekomst. Zo moet de christen ook ijverig aan het werk. De beloning komt in de toekomst.


Als eerste.

De landbouwer heeft als eerste recht op de oogst.



Vers 7

Denk na.

Denk na over deze 3 voorbeelden:

Merk op, want opmerken is beter dan het beste van de offerdieren.


Laat de Heere u inzicht geven.

De HSV heeft hier een wensende zin.

Wat Paulus hier zegt is een belofte:

God zál onze inzet, op ons gebed, zeker belonen met inzicht.

God houdt inzet en inzicht bij elkaar.



Vers 8

Drie ervaringen.

  1. Van Christus. Vs 8.
  2. Van Paulus. Vs 9-10.
  3. Van gelovigen. 11-13.

De kern van het evangelie.

In een paar woorden zegt Paulus hier veel.

  1. Jezus' geboorte uit Davids geslacht.
  2. Jezus' dood.
  3. Jezus' opstanding.

De opstanding.

Opstanding is het belangrijkste leerstuk. Als er geen opstanding is, is het geloof tevergeefs.

Jezus stond op om onze rechtvaardigmaking.

Als Hij niet was opgestaan, waren wij niet gerechtvaardigd. De opgestane Jezus ging als Hogepriester verzoening doen in het hemelse heiligdom.

Wij zullen opstaan en delen in de heerlijkheid van Christus.

Houd in gedachten.

Houd de opgestane Christus in gedachten. We hebben een levende Heiland.

De mensen vergeten snel. Jezus stelde het avondmaal in om steeds aan Hem, aan Zijn dood, te denken.

Toen Hij opstond, is onze toekomst ook begonnen. Hij is de Eersteling, wij zijn de daarop volgende oogst.

Een christen heeft een groot vertrouwen in de levende Christus. Gelóóf in zijn opstanding. In Athene keerde men zich af toen Paulus over opstanding begon.

Doop en opstanding.

Bij onze doop wordt onze dode oude mens begraven.

Begraven betekent een definitief afscheid van deze oude mens.

Na de doop zijn we ook uit het doopwater opgestaan. Dat is: met Christus opgestaan in een nieuw leven. We hebben ons dan met Christus bekleed.

We volgen Hem als discipelen. Denk steeds aan Zijn opstanding.

Uit het nageslacht van David.

In Lukas 3 lezen we het geslachtsregister van Maria. De lijn loopt via Nathan, een zoon van David en Batseba.

Ook Jozef, de man van Maria, was een afstammeling van David.

Zijn lijn loopt via Salomo, de zoon van David en Batseba.



Vers 9

Daarvoor.

Voor dat evangelie.


Als een misdadiger.

De onschuldige Paulus lijkt hier precies op Jezus.

Het woord is niet gebonden.

Hoewel Paulus zelf het evangelie NIET kan prediken, gaan anderen er ijverig mee door.



Vers 10

Daarom verdraag ik alles.

Paulus heeft grote liefde voor de nog onwedergeboren naaste. Hij heeft dezelfde gezindheid als Jezus.


Terwille van de uitverkorenen.

De uitverkiezing ontslaat ons niet van de woordverkondiging. God werkt juist via de prediking.



Vers 11

Met Hem gestorven, met Hem leven.

We hoeven niet op te zien tegen de dood. Een gelovige, de oude zondige mens, is al gestorven toen Christus stierf.

Het zwaarste hebben we al achter ons.

Het eeuwige leven begint voor ons, zodra we in Christus geloven en we wedergeboren worden.

"Met Hem leven" heeft dus te maken met het nieuwe leven dat we hier op aarde reeds leven. Jezus sterft niet meer en wij ook niet. Ons sterven is slechts een achterlaten van de vergankelijkheid en van de zonden.


Ook dagelijks strijden.

Het gaat hier ook over onze dagelijkse strijd tegen de zonden.



Vers 12

Volharden.

De gelóvigen volharden in het geloof. Ze houden vol, ze blijven geloven.

Volharden is iets anders dan bewaren.

Gód bewaart de gelovigen tot de zaligheid.

Gods bewaring is de oorzaak van de volharding.

Volharding:

We moeten volharden...

Zo gaan we steeds meer op God lijken. God zelf is de God van de volharding.

Met Hem regeren.

Niet verloochenen.

Hier staat een waarschuwing, verloochen Hem niet, maar volhard wel. Ook in vers 13 gaat die waarschuwing verder. Déze verloochening is een verláten van Christus, willens en wetens.

Jezus zelf waarschuwt ervoor.

Niet zoals de verloochening van Petrus. Hij huilde erom.


Onze manier van leven kan Gods besluit wél veranderen.



Vers 13

Trouwe Christus.

Hij blijft getrouw aan Zijn woord. Zijn woord verloochent Hij niet. Zijn beloften niet, maar ook Zijn bedreigingen niet.

Petrus schrijft over mensen die "de rechte weg" hebben verlaten.

Ze verlieten de "weg van de gerechtigheid".

Zij verbreken willens en wetens de relatie met Jezus. Dan is er géén hoop meer.

Hun straf is de diepste duisternis.

Jezus weet heel goed dat Hij geen volmaakte bruid koos. Daarom gaat Hij ons steeds meer vernieuwen naar Zijn beeld.

We zien 2 parallellen.

  1. Wij verloochenen, Jezus zal verloochenen.
  2. Wij zijn ontrouw, Hij blijft getrouw.

Waaraan blijft Jezus getrouw? Aan Zijn woord, aan Zijn waarschuwingen, aan Zijn dreigementen.



Vers 14

Breng in herinnering.

Timotheüs moet in Efeze duidelijk uitleggen dat er een nauw verband is tussen Christen-zijn en verdrukking.


Woordenstrijd.

Waarschijnlijk doelt Paulus op haarkloverijen, zoals de scholastici in de Middeleeuwen deden.



Vers 15

Welbeproefd.

Er zijn 2 soorten arbeiders:

  1. Beproefden. Zij hoeven zich niet te schamen.
  2. Onbeproefden. Zij moeten zich diep schamen.

Recht snijden.

Het woord van God nauwkeurig en duidelijk doorgeven.



Vers 16

Inhoudsloze praat.



Vers 17

Hymeneüs.

Waarheid of dwaalleer.



Vers 18

Opstanding al geweest?

O.i.v. het Griekse denken zagen ze de opstanding geestelijk. Voor hen was de wedergeboorte als opstanding uit de dood.


Dat denken leeft nog steeds voort in de kerken. Men meent dan, in navolging van Augustinus, dat de eerste opstanding uit Openbaring 20:5 de wedergeboorte is. Het is echter de lichamelijke opstanding van de gelovigen. Overal in NT is het Griekse anastasis de opstanding van het lichaam.

Zalig is degene die deel heeft aan deze eerste opstanding.

De tweede opstanding, die van de goddelozen, is 1000 jaar later. Tussen deze beide opstandingen ligt het vrederijk.


De gereformeerde belijdenis.

In navolging van Augustinus ontkennen veel kerken het vrederijk en leren daarom één opstanding.

Zo wordt er van de waarheid afgeweken. Men zegt dus dat de eerste opstanding al heeft plaatsgevonden bij de wedergeboorte.



Vers 19

2 kanten van het fundament.

  1. God kent de Zijnen.
  2. De gelovigen moeten ver weg blijven van de zonde. Dus NIET kijken hoever we met het wereldse leven meekunnen, maar kijken hoever we van het wereldse leven weg kunnen blijven.



Vers 20

Voorwerpen.

Grieks:skeuos.

Dit woord wordt in het NT gebruikt voor leraars.

In de context heeft Paulus het ook nog steeds over leraars.


Mensen in de plaatselijke gemeente.

De gelovigen, vooral leraars, zijn gouden en zilveren vaten, tot eer van God.

Er zijn ook huichelaars, voorgesteld door houten of stenen vaten. Ze zijn NIET tot eer van God.



Vers 21

Hiervan reinigt.

Reinigen van alles wat genoemd is in vers 14-16.

We moeten ons afzijdig houden van valse leraars.

Paulus vindt dit erg belangrijk. Er is geen hogere eer dan een bruikbaar rein instrument te zijn in de handen van Jezus.


Geheiligd.



Vers 22

Dubbele plicht.

  1. Zonden ontvluchten.
  2. Het goede najagen.

Ontvlucht de begeerten van de jeugd.

Zonden moeten we vooral ontvluchten, zoals Jozef deed.

Jaag de vrede na.

Ook dat vraagt een actieve houding. Dat kost moeite. Het is precies het tegengestelde van ontvluchten.

Maar... het hoort bij godsvrucht.

Jaag geloof na.

Doe wat je zegt, wees betrouwbaar, zoals God ook doet en is.

Hetzelfde grondwoord wordt in Titus 2:10 vertaald met "goede trouw."

In Mattheus 25:21 is het vertaald met:

Het is ook een vrucht van de Geest. "Geloof" is ook daar "geloofwaardigheid".



Vers 23

Strijdvragen.

Het gaat waarschijnlijk over vragen die niet over de bijbel gaan.

Ze leiden af en brengen ruzie.



Vers 24

Geen ruzie maken.

Niet ons twistgesprek, maar alleen Gods genade werkt bekering en bevrijdt mensen van hun dwaling.



Vers 25

Misschien geeft God bekering.

Misschien brengt God ze tot inkeer. Overal in de bijbel lezen we: bekeert u. Dat vraagt God van óns. Wedergeboorte is Góds werk.

Het gaat hier over leden van de gemeente.

Zij verzetten zich.

"Word niet boos", zegt Paulus. Vermaan hen.

Misschien brengt God hen zo tot andere gedachten.

Ze zitten in de strik van satan, volgens vers 26.

Bekering leidt tot erkenning van de waarheid.



<