Hoofdstuk 1


Vers 1

De brief.

Waarschijnlijk geschreven vlak voor de dood van Paulus.

Vanuit Rome geschreven.

Een apostel door de wil van God.

God zelf riep Paulus tot apostel voor de heidenen.



Vers 2

De groet.

In geen enkele groet wordt de Heilige Geest genoemd. We krijgen de groeten van personen die niet bij ons zijn. De Heilige Geest woont in de gelovigen, Die is bij ons. Die kan dus in de groet ontbreken.

In de zégen, waarmee de tweede brief aan de Corinthiërs eindigt, staat wel een toevoeging over de Heilige Geest.

De Heilige Geest zegent ook.


Barmhartigheid.

Dat woord wordt toegevoegd in de brieven die aan personen gericht zijn.

Wie is Timotheüs?

Mijn geliefde zoon.

Hij was een geliefde zoon in de Heere. Het geloof bond hen samen.

In Christus Jezus is ook Timotheüs, net als de Corinthiërs, door het evangelie verwekt.



Vers 3

Die ik dien vanaf mijn voorouders.

Eigenlijk diende Paulus God pas vanaf zijn bekering bij Damaskus.



Vers 4

Tranen.

Het leven viel voor Timotheüs niet altijd mee. Ook hij maakte vervolging en verdrukking mee. Hij was jong en had veel verantwoordelijk werk in de gemeenten.

Hij was ziekelijk.

Misschien was Timotheüs ook wel verdrietig doordat hij van Paulus gescheiden was.



Vers 5

Gave van de Geest.

Timotheüs had een geestesgave ontvangen

Misschien de gave van profetie?

Die genadegave moet Timotheüs aanwakkeren.



Vers 6

Daarom.

Om dat ongeveinsde geloof (vers 5).


Genadegave.

Onbekend welke gave Paulus bedoelt.

Maar..apostel, herder, leraar zijn ook gaven van de Geest.

Aanwakkeren.

Letterlijk:

Timotheüs was jong, bescheiden, misschien wat bang uitgevallen. We moeten ons best doen om met de ons gegeven genadegaven te werken. We moeten de gaven aanwakkeren door:



Vers 7

Vreesachtigheid.

Timotheüs moet de angst voor dwaalleraars afleggen.

God gaf hem de Heilige Geest.

Daardoor heeft hij de geest



Vers 8

Schaam u niet.

We kunnen ons schamen voor..

  1. de Naam van Jezus.
  2. de mede-gelovigen die bij het lichaam van Christus horen.
  3. het evangelie.

Dit schamen is een menselijke reactie. Jezus waarschuwt ervoor.



Vers 9

Gods volgorde.

  1. God maakt zalig door wedergeboorte.
  2. God roept ons tot een heilige levenswandel.

Ook Petrus roept er toe op om onze roeping en verkiezing wáár te maken.

Geroepen.

God riep zowel Paulus als Timotheüs tot belangrijk werk in de gemeente. God keek niet naar de werken van deze personen, maar God riep omdat Hij een plan met hen had.

Door praktische geloofswandel wordt onze roeping en onze verkiezing vastgemaakt.

Geloofsvruchten laten zien dat het geloof echt is, dat we geroepen en uitverkoren zijn.

1 Thessalonicenzen 4:7.

1 Corinthiërs 1:2.


Vóór de tijden van de eeuwen.

Wat God ons geeft, was Zijn voornemen al vér voordat de mens er was. Onze eigen werken zijn dus nooit de bron van onze verlossing.



Vers 10

Maar nú is geopenbaard.

Gods voornemen en Gods genade (zie vers 9) zijn geopenbaard toen Jezus op aarde kwam.

Jezus is "vol van genade".

Het verzoeningswerk van Jezus is de grond van onze verlossing.


De dood teniet gedaan.

1 Corinthiërs 15:26.

Jesaja 25:8.


Het evangelie.

In onze zondige wereld is alles vergankelijk en aan de dood onderworpen.

Het evangelie brengt een blijde boodschap van leven en onvergankelijkheid. Dat is er door het geloof in Jezus.

Paulus noemt het "een woord van zaligheid".

Drie gegevens over verlossing.

  1. God heeft ons behouden. Vers 9.
  2. God riep ons met een heilige roeping. Vs 9.
  3. God brengt onvergankelijk leven aan het licht. Vs 10.

Verlossing is het allesomvattende voornemen van God om ons te rechtvaardigen, te heiligen en te verheerlijken. Alles gebeurt "op grond van Jezus' verzoeningswerk.



Vers 11

Door God aangesteld.

Drie taken voor een christen.

  1. Het evangelie doorgeven. Vs 11.
  2. Voor het evangelie lijden. Vs 12.
  3. Het evangelie bewaren. Vs 12-18.



Vers 12

Daarom.

Om de prediking.


2 panden.

  1. Het pand dat God voor ons in de hemelen bewaart, het verheerlijkte lichaam, de erfenis, de zaligheid. 1 Petrus 1:4.
  2. In vers 14 staat een ander pand. Het pand dat ons is toevertrouwd. Daar moeten we mee werken. Het is als "de ponden". We moeten er "ponden" bij verdienen. 2 Timotheus 1:14.

Tot die dag.

De dag van de opname van de gelovigen. Dan ontvangen we het verheerlijkte lichaam. Dan gaan we naar het Vaderhuis. Dan komt de bruiloft met Het Lam. Dan mogen we altijd bij de Heere zijn.



Vers 13

Het voorbeeld.

Het Griekse woord betekent "schets". Een schets vraagt om nauwkeurige uitwerking. We moeten het als "norm" aanhouden. Zo moeten we de leer van Paulus nauwkeurig uitwerken, verklaren en toepassen.


Gezonde woorden.

Zuivere prediking. De juiste uitleg van het woord.

Het maakt geestelijk gezond.

Dit is ook het "goede pand" dat ons toevertrouwd is.



Vers 15

Asia.

De provincie in West-Turkije.

Daar lagen de zeven gemeenten uit Openbaring 2 en uit Openbaring 3.


Van mij afgekeerd.

Er staat NIET dat ze God verlaten hebben. Misschien werd het deze mensen bij Paulus, te gevaarlijk. Hij zat in de gevangenis. Misschien liepen zij ook gevaar. Ze deden heel anders dan Onesiforus (=geluksbrenger). Die bleef Paulus trouw.

In 2 Timotheus 4:16 zegt Paulus dat bij zijn eerste verdediging iedereen hem verliet.


Velen in Asia kwamen tot geloof.

Nu zegt Paulus dat allen zich van hem hebben afgekeerd. Is dan de grote opwekking veranderd in grote afval?



Vers 16

Onesiforus.

Zalig zijn de barmhartigen. Hij toonde moed en bleef Paulus trouw, ondanks dat Paulus gevangen zat.

Deze man kwam uit Efeze waar Timotheüs werkte. Daar had Onesiforus ook gediend volgens vers 18.



Vers 18

Op die dag.

De dag van de opname van de gelovigen.

We zullen komen voor de rechterstoel van Christus. Daar worden onze werken beoordeeld. We krijgen loon naar werken.


Efeze.

In Efeze, daar werkte Timotheüs. Hij kende deze Onesiforus persoonlijk.



<