Hoofdstuk 1


Vers 1

Filippi.

Aan alle heiligen.

Heiligen zijn mensen die voor Jezus apart zijn gezet.

Paulus ziet de gemeente als een vergadering van echte gelovigen. Lydia was de eerste bekeerling.

Positie van de gemeente.

Brief over discipelschap.

  1. Christus mijn leven. Filippenzen 1:21.
  2. Christus ons voorbeeld. Filippenzen 2:5-8.
  3. Christus ons doel. Filippenzen 3:14.
  4. Christus onze kracht. Filippenzen 4:13.

Timotheüs.

We ontmoeten Timotheüs in

Dat was de geestelijke zoon van Paulus.

Hij was een trouwe medewerker.

Paulus had veel waardering voor hem.

Timotheüs staat helemaal achter de inhoud van deze brief.


Dienstknechten.

Paulus en Timotheüs stellen zich voor als slaven van Jezus. Paulus stelt zich niet voor als apostel.


Opzieners.

Dat zijn oudsten.

3x lezen we over het aanstellen van oudsten.

Door de Heilige Geest worden ze gesteld, maar de gemeente kiest ook.

We mogen naar het opzienersambt streven.

Doel van de brief.

Paulus wil de gemeente bedanken voor de financiële ondersteuning, die door Epafroditus, een burger uit Filippi, bij Paulus gebracht werd.



Vers 2

Groet aan de gemeente.

Deze groet is een échte L.S. = de lezer heil.


In geen enkele groet aan een gemeente wordt de Heilige Geest genoemd.

Dat is misschien ook logisch. We brengen de groeten over van personen die niet aanwezig zijn. De Heilige Geest woont in elke gelovige.

Deze groet geldt ook ons, gelovigen van nú.



Vers 3

Ik dank God voor jullie.

Hier spreekt veel liefde uit voor de gemeente.

Kun jij dit Paulus nazeggen?

Zouden ook wij niet veel meer moeten danken voor elkaar?

Zo kom je in de juiste verhouding tot elkaar.


Waarvoor dankt Paulus?

Dat staat in

Twee mogelijkheden.

  1. Volgens NBV gaat het over de bijdrage die ze leverden in de verspreiding van het evangelie. (Denk aan geld dat ze gaven) Filippenzen 4:15-18. Misschien waren ze ook missionair actief.
  2. Volgens NBG51 gaat het over de aanvaarding van het evangelie. Deze mogelijkheid past beter bij vers 6. Dat geloof hield stand volgens Filippenzen 2:16. Dat geloof is gegroeid naar volwassenheid volgens Filippenzen 1:10.



Vers 5

Vanaf de eerste dag.

Dat is de dag dat Lydia, de purperverkoopster tot geloof kwam.

Tot nu toe.

Het geloof was geen bevlieging die weer overging. Hun geloof was oprecht, ze toonden zich standvastig.

Het geloof bleek ook uit hun werken.



Vers 6

Het goede werk.

God is steeds bezig met onze heiligmaking. Dat duurt voort tot op de dag van Christus, de dag van de opstanding en opname van de gelovigen.

Op die dag krijgen we een verheerlijkt lichaam en komt voor gelovigen de volmaaktheid.

"Dag van Christus "

Dit staat 3x in deze brief.

"Dag" is hier een periode en niet een tijd van 24 uren. Zo wordt "dag" ook gebruikt in

Het gaat over de dag van de opname van de gemeente en over de dag van de wederkomst. Daartussen ligt de grote verdrukking, de dag (periode van 7 jaren) van de wraak.

Verwacht u Hem? Daar gaat het om. Let niet in de eerste plaats op de gebeurtenissen. Het gaat ons om één Persoon.

Wat een vreugde zal dat wezen, straks verenigd te zijn met Hem!


Wat betekent "de dag van"?



Vers 7

Mijn genade.

Paulus werd van een vervolger van Jezus een volgeling.

Door deze genade kwam het evangelie ook in Filippi.


Gevangenschap.

Paulus zat op meerdere plaatsen langdurig gevangen:

Paulus kiest ervoor om te blijven leven.

Dan zat Paulus waarschijnlijk in Caesarea gevangen toen hij deze brief schreef. Dan is het decor van deze brief Handelingen 24 t/m Handelingen 26, Felix, Festus, Agrippa.

Dan werd de brief tussen 57 en 61 geschreven.


Deelgenoten van mijn genade.

Alleen voor de gelovigen is dit heil bereid. Paulus verblijdt zich erover, dat ook de gelovigen in Filippi, uit genade, in de toekomende heerlijkheid zullen delen.


Hij verblijdt zich bijzonder ook over het medeleven van deze gemeente met alles wat Paulus meemaakt. Paulus heeft hen in zijn hart gesloten en dat is wederzijds.

Ze steunen Paulus in zijn levensonderhoud, in zijn gevangenschap, in zijn verkondiging van het evangelie.



Vers 8

Met de innige gevoelens van Jezus Christus.

Paulus schrijft eigenlijk dat de gevoelens die hij voor de gemeente van Filippi heeft, te vergelijken zijn met de gevoelens van Jezus voor Zijn gemeente. Dan heb je niet alleen de áárdige broeders en zusters lief, maar állen.

"Allen" schrijft Paulus.



Vers 9

Paulus' gebed.

In vers 4 noemt hij zijn gebed.

Nu schrijft hij over de inhoud: toenemen in liefde.

De gemeente mag weten wat Paulus aan God vraagt voor hen.


In kennis en fijngevoeligheid.

Liefde vloeit altijd over, maar heeft wel een kanaal nodig: kennis en fijngevoeligheid.

Er is geestelijke kennis nodig voor het uiten en bewijzen van de liefde.

Liefde kan een ander bv wijzen op het zondige van iets. Daar is wel wijsheid en fijngevoeligheid voor nodig.



Vers 10

Onderscheiden wat wezenlijk is.

De liefde onderzoekt wat belangrijk is en wat het beste is. Op grond van dat onderzoek komen we tot een keus.

Wezenlijk voor de liefde tot God is het zoeken van de dingen die boven zijn, waar Jezus is.

Oprecht leven en geen aanstoot geven.

Het geloof moet in goede werken, geloofsvruchten, zichtbaar worden.

Tot de dag van Christus.

De dag dat Jezus komt om de gelovigen op te nemen en de dag van de wederkomst.

Paulus verwacht die dag nog in zijn leven. Daarom rein en heilig leven, totdat Hij komt.



Vers 11

Vruchten van gerechtigheid.

In Galaten 5:22 lees je wat de vrucht van de Geest is.

Andere vruchten van de Geest lezen we in

Tot heerlijkheid en lof van God.

Heerlijkheid = eer

Aan Jezus hebben we die vruchten te danken. De vruchten die we laten zien, zijn tot eer en lof van God.





Vers 12

Veeleer tot bevordering.

Wat de vijand ten kwade dacht, heeft God ten goede gedacht.

Paulus begint dus géén klaagzang, maar ziet de positieve kant van de verdrukking.

De vijand wilde Paulus uitschakelen door gevangenschap in Rome, maar juist dat opende nieuwe mogelijkheden.

Ook in Filippi had men dat zelf ervaren.

Daar was de cipier uit Filippi een duidelijk voorbeeld van.



Vers 13

Gerechtsgebouw.

Kazerne van de keizerlijke lijfwacht.

De soldaten kwamen in aanraking met het evangelie.

Dit is het 1e positieve gevolg van de gevangenschap van Paulus.

Ze weten ook dat Paulus om het evangelie gevangen zit en niet om slechte daden.

En alle overigen.

Dit zijn mogelijk burgers van de stad.


Gevangene om Christus wil.

Paulus noemt zich nooit een "gevangene van Rome". Hij is een gevangene van Christus.



Vers 14

Gelovigen krijgen meer vertrouwen.

2e positieve punt van de gevangenschap van Paulus.

Door de afwezigheid van Paulus krijgen anderen moed om de taak van Paulus over te nemen. Ze gaan ook het evangelie verkondigen.



Vers 15

Sommigen prediken...

kērussō =

Het gaat hier waarschijnlijk over de Joden die Paulus overleverden aan de Romeinen. Ze maken negatieve reclame. Paulus komt in het nieuws, Jezus komt ook in het nieuws, dus naamsbekendheid. Mensen worden nieuwsgierig en gaan zelf informeren. Ze vormen zich een oordeel. Met een kromme stok kan God recht slaan!

Prediken uit afgunst.

Prediken = proclameren.

Er zijn vijanden, Joden, die Paulus haten. Ooit was Paulus één van hen, een farizeeër. Ze zijn afgunstig. Eigenlijk willen ze Paulus' gevangenschap nog verzwaren.

Anderen nemen ijverig, welwillend, de taak van Paulus over. Ze doen dat uit liefde.



Vers 16

Christus verkondigen uit eigen belang.

Dit lijkt onmogelijk.

Toch zijn er mensen die door hun "prediking" zelf in aanzien willen komen. Eigen eer is in het spel.

Of groepsvorming?



Vers 18

Christus wordt verkondigd.

Paulus verdedigt zich niet, maar omdat hij zelf een hart heeft vol van Jezus, is Paulus met elke verkondiging van Christus blij.

God zette het werk voort toen Paulus gevangen zat. Daar is Paulus blij mee, of de reclame nu positief of negatief is.



Vers 19

Dit.

De verdrukking en de gevangenschap.


2 Dingen die Paulus steunen.

  1. De Geest van Christus.
  2. Het gebed van de gemeente.



Vers 20

Door leven of door dood.

Paulus had een vol leven. Het was vol van Christus.

Hij was alléén uit op de verheerlijking van Jezus, of dat nu door zijn leven of door zijn dood gebeurt.



Vers 21

Het leven is Christus.

Het leven van Paulus was niet zijn werk, niet zijn reizen, niet zijn prediking.


Het is in Paulus' leven Christus vóór en ná. Christus is de inhoud, de zin en ook het doel van Paulus' leven. Zijn leven is Christus. Hij is een echte discipel.

Hier spreekt een volwassen christen. Hij wil een leven leiden dat totaal op Christus gericht is.

Sterven is winst voor mij.

Zo is het begrijpelijker dat hij bereid is om te sterven.

Dan mag hij voor altijd bij Jezus zijn, verlost van alle moeiten.

Hij had daar al een voorproefje van gehad.



Vers 22

Ik weet niet wat ik zou kiezen.

Paulus overweegt de voordelen. Hij heeft ook het geluk van de gemeenten op het oog.

Hij vindt de keus moeilijk, maar zou zijn eigen geluk nog wel willen uitstellen.

Wat is voor jou de moeite waard om te blijven leven?



Vers 23

Twee mogelijkheden.

Als Paulus gevangen zat in Caesarea, dan stond Paulus voor de keus. Naar Jeruzalem teruggebracht worden en onderweg sterven, of in leven blijven door zich op de keizer te beroepen.

Heengaan.

Letterlijk: ontbinden, losmaken.

Zoals een schip dat van de kade wordt losgemaakt en gaat vertrekken.

Paulus zegt dit wel op een dieptepunt. Hij zit mogelijk al 2 jaar gevangen.

Dan is het logisch dat hij naar Jezus wil.

Bij Christus zijn.

In antwoord 42 van de HC wordt de dood van een gelovige genoemd een doorgang tot het eeuwige leven.

Dat klopt niet.

Wie wordt wedergeboren hééft al het eeuwige leven, hier op aarde reeds!



Vers 24

Belangen.

De belangen van Christus kan Paulus het best behartigen door de belangen van de gemeente te behartigen en eigenbelang op de achtergrond te zetten.



Vers 25

Ik zal blijven.

Paulus weet het niet zeker, maar hij maakt op uit omstandigheden dat hij nog in leven zal blijven. Waarschijnlijk zal men hem vrij laten.

Paulus lijkt minder zeker in

Blijdschap van het geloof.

Geloof moet groeien.

Gelovigen moeten groeien tot ze volwassen christenen zijn.

Dat vergroot de blijdschap. Geloof en blijdschap horen bij elkaar.

Blijdschap is een vrucht van de Geest.



Vers 26

Roemen in Christus.

Het gaat Paulus niet om eigen eer of om bewonderd te worden.

De gelovigen die groeien moeten hun blijdschap laten zien in het roemen van Christus.

Als Paulus vrijkomt hebben ze veel redenen om zich in God te verheugen.



Vers 27

Nieuw deel in de brief.

Vanaf vers 27 t/m Filippenzen 2:11 gaat het over de verhouding van de gemeente tot Christus.

Het gaat erom wat de wereld ziet, het gedrag, onze levenswandel.

Ze moeten eensgezind strijden in het geloof, één van geest zijn en niet bang zijn voor de vijanden.

Dus eensgezind strijden om het geloof te behouden temidden van de wereld.


Wandel het evangelie waardig.

We hebben duidelijk een persoonlijke verantwoordelijkheid. Volg Jezus. Vertoon Zijn beeld.

Daartoe zijn we geroepen.

Niet Jezus nádoen, maar Jezus die in ons woont, geven we gelegenheid om Zich in ons leven te laten zien.

Toen we tot geloof kwamen en gedoopt werden, hebben we ons met Christus bekleed.

Eensgezind.

Ieder heeft dan de gezindheid van Christus, nederig, jezelf wegcijferen, zachtmoedig.

Het hoeft niet eenstemmig te zijn. Eensgezindheid gaat nooit t.k.v. de waarheid.

Trots bedreigt de eensgezindheid.

Wie zijn de tegenstanders?

  1. Joden die Paulus achter de tralies brachten.
  2. Mensen die hun eigenbelangen najagen en niet die van Jezus. Filippenzen 2:21.
  3. De "honden". Filippenzen 3:2-3.
  4. Vijanden van het kruis. Filippenzen 3:18-19.



Vers 28

Geen schrik laten aanjagen.

De schrikaanjagers staan "buiten". Het zijn heidense inwoners van Filippi. De intolerantie tegenover de zonde roept intolerante reacties op. U wordt vervolgd om Christus. Zalig, die vervolgd worden.



Vers 29

U is gegeven.

Aan u is een gunst bewezen.


Lijden.

Als gelovigen met het evangelie naar buiten treden, ontstaat er lijden en strijd.

Het geloven én het lijden zijn een genadegift. Met die genadegift mag jij je verblijden.

Dit wacht elke gelovige.

Onze ware motivatie is: Christus is ons leven.

Tot geloof-komen is dus geen eindpunt, maar begin. Daarop volgt een leven met Christus. We gaan Zijn beeld vertonen.



Vers 30

Strijd die u bij mij gezien hebt.

Paulus kwam in Filippi ook in de gevangenis, samen met Silas.

Gezamenlijk.

Gezamenlijk strijden maakt ons sterker.

Vervolging is niet iets vreemds.



<