Hoofdstuk 2


Vers 1

Schelfzee.

Dat is de Golf van Akaba.



Vers 6

Voedsel kopen.

Was er toen geen manna meer?

Of ging het om aanvullend voedsel zoals groenten en fruit?



Vers 7

Gezegend in het werk.

Israël had veel vee. Daar hadden ze veel aan verdiend.



Vers 10

Reuzen.

De Septuaginta noemt ze giganten en titanen.

De HEERE verdelgt de reuzen, net als vóór de zondvloed.


Haakjes.

De verzen 10, 11, 12 staan tussen haakjes d.w.z. dat ze in verschillende handschriften ontbreken.



Vers 12

Horieten.

=holbewoners.


Net zoals Israël gedaan heeft.



Vers 13

Beek Zered.

Die beek, de Wilgenbeek, stroomt tussen Moab en Ammon, iets ten noorden van Bozra.

De beek stroomt naar het zuiden van de Dode Zee.



Vers 23

Kaftor.

= Kreta.

Dit zijn waarschijnlijk al voorlopers.

De Dorische volksverhuizing is later. Toen vluchtten massa's mensen vanaf Kreta.



Vers 30

Verhardde.

Het ging met Sihon hetzelfde als met farao.

Hij verhardde zich en daarom gaf God hem aan verharding over.



Vers 34

We lieten niemand overblijven.

Dat was om de goddeloosheid van de Kanaänieten.



Vers 36

Te hoog.

Te hoog ommuurd.



<