Hoofdstuk 1


Vers 1

Deuteronomium.

= herhaling vd wet.

Bij de Joden heet het bijbelboek naar de eerste woorden:

Deze zijde van de Jordaan.

Dus in het Over-Jordaanse.



Vers 2

Horeb.

Horeb betekent verschroeiing.

Horeb = Sinaï.

Waar was de doortocht?

Dit laatste pleit er ook voor dat de doortocht door de Schelfzee, een doortocht door de Golf van Akaba was.

1 Koningen 9:26 zegt ook dat de Schelfzee bij Edom ligt. Dan kan de Schelfzee nooit de Golf van Suez zijn.

11 dagen.

De afstand van Sinaï naar Kades Barnea is hemelsbreed 240 Km.

Dat zou dan ongeveer 25 km per dag zijn. Maar...een grote groep reizigers met vee legt gemiddeld ongeveer 10 kilometer per dag af.

Mozes geeft hier de tijd van 11 dagen, de tijd van een karavaan. Dat geeft wel een beeld van de werkelijke afstand.



Vers 4

Sihon.

De strijd met Sihon begint pas nadat Israël 38 jaar in de woestijn was.

Og, koning van Basan.

Og was een reus.



Vers 5



Vers 6

Lang genoeg.

Ongeveer 1 jaar.



Vers 7

Eufraat.

Dat is de grens, ver in het noorden.

Dat zal ook de grens in de toekomst zijn, in het vrederijk.



Vers 8

Gegeven.

God heeft het gegeven, maar dat betekent toch ook inspanning, strijd, voor het volk.


Gezworen.



Vers 13

Wijze en ervaren mannen.

Dat zijn de 70 rechters, die op aanraden van Jethro, door Mozes zijn aangesteld.



Vers 17

Kleine en grote.

Dus de geringe en de aanzienlijke.



Vers 22

Gods opdracht.

Numeri 13:1-2 zegt, dat God opdracht gaf om verspieders naar Kanaän te sturen.



Vers 23

Numeri 13:2-3.



Vers 25

Ze brachten verslag uit.

Van de twaalf verspieders zijn er maar 2 , Jozua en Kaleb, die een positief bericht brengen.



Vers 26

U wilde niet verder.



Vers 36

Behalve Kaleb.

Twee verspieders mogen het land in, Kaleb en Jozua.



Vers 37

God wordt boos op Mozes.

Er was watergebrek.

Hij moest tegen de rots spreken en dan zou er water uit komen.

Mozes sloeg in boosheid op de rots.



Vers 38

Jozua.

yehôshûa.

Dat is ook de naam van Jezus.

Yehôshûa brengt in het land van de rust. Dat kan Mozes, de wet, niet.



<