Hoofdstuk 12


Vers 5

God kiest een plaats.

De Israëlieten mogen niet overal heiligdommen maken.

Tot op Hizkia waren er overal gewijde hoogten met altaren voor God.

God koos:

2 Kronieken 12:13.

2 Koningen 21:7.



Vers 7

Eten en u verblijden.

Op de feesten mocht het ook echt feest zijn.

Hanna kon niet eten en niet blij zijn.



Vers 8

U mag niet doen...

Tijdens de woestijnreis was de regelmaat wel eens weg. Er was wel eens een iets vrijere vorm van de godsdienst.

Dat mocht niet meer als ze in het beloofde land zouden wonen.



Vers 10

Rust gegeven.

Toch was Kanaän niet de echte rust. Er blijft nog een sabbatsrust over voor de gelovigen.



Vers 11

God kiest 1 plaats.



Vers 13

Niet op elke plaats offeren.

Tot op Hiskia waren er overal gewijde hoogten met altaren voor God.

Dat was tégen Gods gebod.



Vers 14

Daar moet u alles doen.

Ook het paaslam mocht alléén gegeten worden in Jeruzalem.

Om dit feest te vervullen moest Jezus dus in Jeruzalem sterven.



Vers 15

Gazelle en hert.

Het zijn wel reine dieren. Ze mogen wel gegeten worden, maar niet worden geofferd.



Vers 17

De tienden.

De 10% van alles moest naar de plaats van het heiligdom worden gebracht.



Vers 19

Laat de Leviet niet in de steek.

Dat gebeurde concreet in de tijd van Nehemia.



Vers 23

Het bloed is de ziel.

De ziel is het leven.

Een dier heeft dus wél een ziel, maar géén geest.

De ziel is in het bloed.

Als het bloed eruit is, is er een ontzield lichaam over.



<