Hoofdstuk 2.
Hier wordt ons eertijds beschreven.
Met Hem levend gemaakt.
Dit stukje ontbreekt in de grondtekst.
Letterlijk:
"Heeft mede levend gemaakt" is ingevoegd uit vers 5.
Levend gemaakt:
U die dood was.
Van nature zijn we geestelijk dood (= Scheiding tussen mens en God). Dat blijkt uit onze zonden. Een dode kan zichzelf niet tot leven brengen.
Door de allesovertreffende kracht van Gód zijn we levend gemaakt, zoals Jezus door deze zelfde kracht opstond.
Visie van Luther.
“Dood” betekent voor Luther: volstrekt onbekwaam om naar God toe te gaan. Zo komt hij tot "de geknechte wil"
Misdaad.
Bewust overtreden.
Zonde.
Zonde is doel missen. Niet leven zoals God bedoelde.
De leefwijze van deze wereld.
De "geestelijke doden" leefden volgens de tijdgeest van deze wereld, van deze "eeuw "(aioon)
Hoe?
Aanvoerder...
Dat is satan. Hij leidt de demonen.
Hij hoort bij de drie vijanden die hier genoemd worden.
Kinderen van de ongehoorzaamheid.
Ongehoorzaamheid = ongelovigheid.
Ongehoorzaamheid erfden we van Adam. Van de gehoorzame Christus krijgen we betere dingen.
Gelovigen zijn nu kinderen van de gehoorzaamheid. Dat moeten ze ook dagelijks laten zien.
Onder wie ook wij verkeerden.
Hier staat voor "wie" een mnl meervoud. Dus het slaat op de kinderen van de ongehoorzaamheid. Het slaat niet op de zonden, want dan moest het vrl meervoud zijn. "Onder wie" kan ook niet vertaald worden met: waarin.
De wil van het vlees en van de gedachten.
Dat zijn de zonden, de werken van het vlees.
Kinderen des toorn.
Mensen waarop God toornig is, omdat ze zondig leven.
Maar God..
Als je twijfelt, kijk dan naar God, naar Jezus' werk.
God wil ons behoud.
Hij is niet alleen barmhartig, maar is ríjk in barmhartigheid.
Zijn grote liefde.
Gods liefde blijkt in het zenden van Zijn Zoon. God zond Hem tot een verzoening van onze zonden.
3 dingen die God doet.
In de verzen 5 en 6 lezen we 3 dingen die God doet. Ze lopen parallel met de
Wedergeboorte. God heeft ons levend gemaakt.
We waren geestelijk doden, maar zijn door Gods genade geestelijk levend geworden.
Een andere omschrijving voor wedergeboorte staat in
Met Christus levend gemaakt.
Dit is de wedergeboorte.
Verwijst Paulus hier ook naar de doop? We zijn met Christus gekruisigd. We zijn, net als Jezus aan de zonden gestorven,
maar we staan ook met Hem op in een nieuw leven.
Het nieuwe leven vindt de grond in de opstanding van Christus. Hij stond op om onze rechtvaardigmaking.
Het eeuwige leven dat God geeft, is in Zijn Zoon.
Uitleg van wedergeboorte.
Het ei en het kuiken.
Metamorfose, van rups tot vlinder.
Gezet in de hemelse gewesten.
Waar het Hoofd is, zal ook het lichaam komen. Als het Hoofd boven is, is het hele lichaam behouden.
We zijn immers als ranken één plant met Hem, de Wijnstok.
Wie gelooft, heeft het eeuwige leven.
De tweede dood, de eeuwige dood, is dan een gepasseerd station. We zijn met Christus levend gemaakt. We zijn dan met Christus geplaatst in de hemel.
Ons burgerschap is in de hemel.
In Christus.
Deze uitdrukking komt in de brief aan Efeze wel 25x voor.
Het betekent:
Opdat Hij...
Hier beschrijft Paulus het doel dat God voor ogen had.
In de komende eeuwen.
Paulus verwachtte Jezus spoedig terug. Hier schrijft hij over de komende eeuwen. Dan heeft Paulus het niet over de honderden jaren die nog komen, maar over de komende aioon, het komende tijdperk. Jezus spreekt ook over de toekomende eeuw. Hij heeft het dan over het Messiaanse rijk.
Allesovertreffende rijkdom.
Het werk van Jezus zal rijke vruchten dragen. Velen zullen in Hem geloven en de allesovertreffende rijkdom van Gods genade ervaren.
Uit genade bent u zalig geworden.
Deze waarheid benadrukt Paulus 2x.
Door geloof nemen we Gods genade, Gods redding, aan. We geloven Gods beloften, maar daarmee is geloof geen werk van mensen, want door onze wérken worden we niet zalig. Geloof is ons vertrouwen op het verzoeningswerk van Jezus.
Geloof heeft 2 kanten.
Wij wérken voor ons eten en toch is het voedsel tegelijk een gáve van God.
Wat is Gods gave? Het geloof of ons behoud?
De behoudenis is Gods gave en die gave ontvangen we door ons geloof.
Het Griekse aanwijzend voornaamwoord "dat" (touto) in "dat niet uit u" is onzijdig. Het woord "behouden = zalig worden" is ook een onzijdig woord, terwijl het woord "geloof" =pistis vrouwelijk is. Voornaamwoorden komen in geslacht en getal overeen met hun antecedent. Er bestaat in het Grieks ook een vrl. aanwijzend voornaamwoord. Dat vrl. woord had Paulus kunnen gebruiken als hij het aanwijzend voornaamwoord "dat" had willen laten slaan op "geloof". Hij schreef echter een onzijdig voornaamwoord, omdat het op "zalig worden" moest slaan.
De behoudenis is door geloof en uit genade. Het "zalig worden" is niet uit uzelf, maar is een gave van God.
Let op.
Op geen enkele plaats in NT verwijst het woord "gave" naar geloof. Er wordt nooit gebeden om geloof, wél om verméérdering van het geloof.
Zondaars worden opgeroepen om te geloven en niet om te bidden om geloof.
Een voorbeeld.
Israëlieten moesten de woorden van Mozes geloven en kijken naar de koperen slang, maar God moest de genezing geven.
Jezus vergelijkt Zich met deze koperen slang in
100% en 100%.
Jesaja 45:22 heeft in de Engelse KJV : "zie op Mij en word behouden".
1 Johannes 5:1.
1 Johannes 1:12-13.
1 Johannes 4:2.
Wat is het geloof?
Als God spreekt...
Spurgeon: Eérst geloven en daarna wedergeboorte.
Als we wedergeboren zijn, zíjn we een nieuwe schepping, we zijn dan kind van God, we zíjn dan behouden. Waarvoor is daarna dan nog geloof nodig, waardoor we moeten zalig worden?
Eerst is er geloof en dan volgt wedergeboorte.
Volgorde:
Geloof als gave.
De Dordtse Leerregels:
Hier is de volgorde anders dan bij Spurgeon. In de Dordtse leerregels gaat de wedergeboorte voorop.
De Heilige Geest werkt de wedergeboorte door de verkondiging van het evangelie. (DL III/IV 6)
DL III/IV.10 Wedergeboorte veroorzaakt een komen tot Christus.
DL III/IV.12
Wedergeboorte leidt tot geloof.
DL III/IV.14
God geeft de wil om te geloven, maar ook het geloof zelf.
Niet uit werken.
Mensen worden steeds opgeroepen om te geloven. Maar daarmee is geloof géén werk.
Door werken worden we niet gerechtvaardigd.
Geloof is vertrouwen en rusten op het verzoeningswerk van Jezus.
Wij zijn Zijn maaksel.
Hier wordt de nieuwe schepping bedoeld. Gelovigen zijn herschapen, geschapen in Christus. Ze zijn wedergeboren.
Een gelovige is een nieuwe mens.
Taak van de gelovigen.
Met de herschepping heeft God een doel: Goede vruchten voortbrengen en zo steeds meer op Jezus gaan lijken. Daarin verheugt God Zich.
Daarin wandelen.
Wat hadden de Joden vóór boven de heidenen?
Geen hoop.
Wie zonder Jezus leeft, leeft zónder hoop.
Maar nú....dichtbij.
In ons eertijds waren we zónder God. Nu, door geloof in Jezus, mogen we bij God verkeren, dichtbij.
We hebben een vrije toegang tot de troon van ZIJN genade.
Er is nu ook een "heden van genade" voor heidenen.
Hij is onze Vrede.
Onze Vrede is hier een persoon, Jezus.
Zo is ook onze Hoop een persoon, Jezus.
De gelovige heidenen en de gelovige Joden hebben dezelfde Geliefde. Ze hebben vrede met God en met elkaar door Jezus, onze Vrede.
De tussenmuur afgebroken.
Josefus vertelt van een scheidingsmuur in het voorhof. Heidenen mochten niet verder, op straffe des doods.
Jezus heft die scheiding tussen Jood en heiden op.
Gelovige heidenen delen nu in dezelfde voorrechten als gelovige Joden.
Eén gemaakt.
Twee groepen gelovigen.
De tweede groep groeide sneller dan de eerste groep. De eenheid van de gemeente komt in de loop van de tijd wel onder druk te staan.
Voor zover bekend waren op de eerste concilies geen Messiasbelijdende Joden aanwezig. Daar zijn besluiten genomen waardoor alle christenen afstand moesten doen van Joodse gewoonten. Als voorbeeld dient een stukje van een geloofsbelijdenis, uitgevaardigd tijdens een concilie in Toledo in Spanje (7e eeuw): „Ik verwerp hier en nu elke gewoonte of gebruik van het Joodse geloof en ik verafschuw alle ceremonies en wetten die ik vroeger gehouden heb... (Hier volgt de geloofsbelijdenis van Nicea.) In naam van deze geloofsbelijdenis, die ik werkelijk geloof en met heel mijn hart vasthoud, beloof ik dat ik nooit zal terugkeren naar het braaksel van het Joodse bijgeloof. Nooit meer zal ik een van de Joodse ceremoniën, waaraan ik verslaafd was, vervullen en die zelfs niet eens koesteren.”
Dergelijke eisen betekenen dat de Joden moesten kiezen tussen Mozes en Jezus, tussen de Thora en een kerk die de handhaving van grote delen daarvan verbood. De laatste jaren komt daarin verandering. Er zijn steeds meer Messiasbelijdende Joden –anders gezegd: Joodse gelovigen in Jezus– die allerlei bepalingen uit de Thora in praktijk willen brengen.
(Prof.Dr. M.J.Paul in RD 6-6-2025)
De vijandschap teniet gedaan.
Dat is de vijandschap tussen Joden en heidenen. Jezus heeft die vijandschap teniet gedaan. Nu heerst er liefde tussen broeders en zusters in het geloof.
Wet van de geboden.
De wet had veel bepalingen, die Israël moest vrijhouden van heidense onreinheid.
Maar door Christus wordt de toegang voor onbesnedenen vrij.
Nieuwe mens.
= gemeente.
Die bestaat uit gelovige Joden en gelovige heidenen. Die gemeente bestaat sinds de pinksterdag.
Beide in één lichaam.
Gelovige Joden en gelovige heidenen vormen één gemeente, één lichaam van Jezus.
Door het kruis.
Aan het kruis droeg Jezus de zonde weg.
De zonde scheidt ons van God, maar ook van de medemens.
Jezus heft die scheiding op door Zijn dood aan het kruis.
Vrede verkondigd.
Waarvoor kwam Jezus?
Jezus verkondigde hoe mensen weer in vrede met God konden leven en ook in vrede met elkaar.
Aan die vrede gaat de verzoening door Jezus vooraf.
Heb je vrede met God?
Dan zeg je: "Wat wilt U dat ik zal doen?"
U die veraf was.
Dat waren de heidenen.
Dichtbij.
Dat waren de Joden.
Beiden.
Die twee staan in vers 17.
Een vrije toegang.
Jezus' lichaam is een voorhangsel.
Toen Hij stierf en Zijn lichaam verscheurd was, scheurde ook het voorhangsel in de tempel.
Nú is er géén belemmering meer. We hebben een vrije toegang tot de Vader.
Naast God zit onze Hogepriester die tegelijk onze Bruidegom is. God ziet ons in Hem aan. We horen bij Hem en zijn daardoor (schoon)kinderen van de Vader.
Vreemdeling.
Rondtrekkende buitenlanders.
Bijwoners.
Plattelandsmensen, die rondom een stad wonen. Tweederangs burgers.
Medeburgers van de heiligen.
De heiligen zijn hier de gelovige Joden. Ze zijn aan God gewijd. Ieder die op Jezus vertrouwt is een heilige. Ze zijn geheiligd door God.
Ze zijn geroepen om ook in het dagelijkse leven heilig te wandelen.
Huisgenoten van God.
Wie de bruid van Christus is, wordt door God als kind, schoondochter, aangenomen.
Alleen zo kunnen we horen bij het huisgezin van God.
We kunnen dus nooit door "adoptie" worden opgenomen in Gods huisgezin.
Christus is de énige Weg tot de Vader.
We zijn dus in een hogere positie dan de engelen. Zij horen bij Gods hofhouding. Zij zijn dienaren. Wij zijn kinderen. Wij mogen "papa" zeggen precies zoals Jezus ook doet.
Gebouwd.
Nu komt een ander beeld voor de verhouding tussen Christus en de gemeente.
Nu is het een gebouw met levende stenen en Jezus is de Hoeksteen. Tevens is Hij het fundament.
In hoofdstuk 1 was de gemeente het lichaam van Jezus.
Profeten.
Profeten van het OT hebben veel over Jezus geschreven.
Zij worden hier niet bedoeld. Dan had er gestaan: profeten en apostelen.
Er staat: apostelen en profeten.
Het zijn profeten van het NT.
Dat heeft te maken met de verborgenheid die nú geopenbaard wordt.
Profeten van het NT.
Het gebouw.
Wij zijn Gods tempel.
Het is een heilig gebouw en de levende stenen moeten sieraden zijn. Dat vraagt dus een heilige levenswandel.
Een tempel van de Geest.
Ons eigen lichaam is ook een tempel van de Heilige Geest.
Wat betekent dat voor jou in het alledaagse leven?
Op Wie ook u.
Wat een geweldige troost dat ik mag weten dat ook ik als een levende steen sta op dat fundament.
Een deel te zijn van dat Gods gebouw, waarin de Heilige Geest woont, is Gods genade aan mij.