Hoofdstuk 3


Vers 1

Aanbevelingsbrief

Onbekenden brachten zo'n brief mee. Anderen schreven een brief waaruit de betrouwbaarheid vd onbekenden moest blijken. Maar Paulus was géén onbekende.



Vers 2

U bent onze brief.

De gemeente zelf is de aanbevelingsbrief.

Door de prediking van Paulus zijn ze tot geloof gekomen. Ze zijn leesbare brieven in Korinthe.

Elke heiden ziet dat de gemeente een brief van Christus is.



Vers 3

Brief van Christus.

Paulus zelf heeft deze brief geschreven, geschreven door de kracht van de Heilige Geest.

Het is Zijn gemeente.


Oude en nieuwe verbond.

De 10 geboden zijn geschreven door Gods vinger. Dat was het oude verbond.

Het nieuwe verbond is geschreven door de Geest, geschreven in ons hart.

Paulus is dus een dienaar vh nieuwe verbond. (vers 6)

Jezus stelde dat nieuwe verbond in bij het avondmaal.



Vers 4

Zo'n vertrouwen.

Paulus vertrouwt vast dat deze gemeente een gemeente van Christus is.



Vers 6

Oude verbond.

Dat is het verbond dat God bij de Sinaï sloot met Israël.

Dat was 2-zijdig. Het volk beloofde 2x de wet te houden. Het volk had verplichtingen.

Nieuwe verbond.

Dat is 1-zijdig. God stelt voorwaarden, maar neemt ook alle verplichtingen op zich. God staat voor alles garant, dus het kan niet mis gaan.

Het nieuwe verbond wordt met Israël gesloten.

Steeds staat er "Ik zal".

De grond van het nieuwe verbond is het bloed van Jezus.

Jezus stelde dit nieuwe verbond in bij het avondmaal.


Dienaar van de Geest.

Predikanten noemen zich vdm = dienaar van het goddelijke woord.

Paulus noemt zich hier "dienaar van de Geest".

Het woord moet gepaard gaan met de kracht van de Geest. De Geest zorgt ervoor dat we het evangelie gaan geloven.


Niet van de letter.

Paulus is geen dienaar van de letter. De "letter" = de wet.


Wel dienaar van de Geest.

Paulus is niet een dienaar van wet en evangelie beide. Hij is dienaar van het evangelie.

Het evangelie noemt Paulus ook "geest". Als Paulus het evangelie brengt, is daar de Geest.

Evangelie is de boodschap van redding door het geloof in Jezus. De Geest werkt door het evangelie.

Evangelie bestaat uit Gods beloften voor ons. Die beloften zijn Geest en leven. Het gaat er niet over wat wij moeten doen, (zoals de letter, de wet vraagt), maar het evangelie gaat over wat God voor ons doet.

Het is niet alleen belangrijk dat je de teksten begrijpt, maar dat je er door de Geest naar gaat leven. De Geest werkt dat leven.

Doe je dat?


Wet en evangelie.



Vers 7

Bediening vd dood.

Dat is de wet. De wet van Mozes eist , dus doe dit voor 100%. Zo niet, dan krijg je straf, de dood. De wet is de bediening van de dood.


De wet heeft toch heerlijkheid.

Mozes = wet.


Het gezicht van Mozes glansde zo heerlijk, dat de Israëlieten dat niet konden aanzien.

Zo heeft ook de wet heerlijkheid. De wet is goed. De wet is door God gegeven.


Niet om aan te zien.

Israël kon Mozes niet aanzien. Zijn gezicht blonk als een spiegel waarin de zon schijnt.

Wie zo op de wet blijft staren, heeft geen leven. Het verblindt ons. Het houden van de wet leidt niet tot leven.


Satans doel.

Er is satan alles aan gelegen om ons te verblinden. Dat kan door godsdienstig wetticisme, maar ook door brute goddeloosheid.

Als de heerlijkheid van Christus maar niet op ons afstraalt.



Vers 8

De bediening vd Geest.

Dat is in het tijdperk dat aanbrak met de komst van Jezus op aarde. De Geest is dan op een nieuwe manier op aarde. Hij gaat in mensen wonen.

Over de bediening van de Geest lezen we in:

Het doel van ons leven is niet onze rechtvaardigmaking, of onze heiligmaking, maar het vertonen van het beeld van Christus.


Het Nieuwe verbond:

  1. Neemt onze zonden weg.
  2. Schrijft Christus in ons hart. Zijn beeld vertonen, dan zondig je niet. 1 Johannes 3:6. Dat is heiliging.



Vers 9

Bediening vd verdoemenis.

Dat is de wet van Mozes, dus het oude verbond. Die veroordeelde.

Christus was het doel van die wet.

Voor gelovigen is die oude wet niet meer de basis voor hun verhouding tot God.

De wet heeft nu geen heerlijkheid meer. Die is teniet gedaan. Nu is er de heerlijkheid van Christus.



Vers 10

Als je het vergelijkt...

Als je het vergelijkt, dan is de heerlijkheid van het oude verbond, het glanzende gezicht van Mozes, niets vergeleken met de heerlijkheid van het Nieuwe verbond. Die laatste heerlijkheid is blijvend. De heerlijkheid van Mozes, van de wet, was niet blijvend.



Vers 11

Wat teniet gedaan wordt.

Dat is de heerlijkheid van de wet.

De heerlijkheid van Mozes verdween ook na verloop van tijd.



Vers 12

Onze hoop.

Onze hoop richt zich op de blijvende heerlijkheid.

Dat is de heerlijkheid van Jezus' werk, de heerlijkheid van de verzoening.

Onze hoop is een anker. Dat anker ligt vast in de hemel, in het binnenste heiligdom.

Daar deed Jezus verzoening en bracht Hij Zijn bloed op het verzoendeksel.



Vers 13

Een bedekking.

Mozes deed een bedekking op zijn glanzende gezicht. Zo ligt er nu nog steeds een bedekking op de Joden, die nog steeds onder dat oude verbond leven.

Het nieuwe verbond heeft zo'n bedekking niet.


Mozes.

Mozes is hier aanduiding voor de wet.

"Mozes en de profeten".

De wet is de bediening van de dood en van de verdoemenis.

Wie daarnaar kijkt, houdt dat niet vol. Dat overleven we niet.

De wet betekent onze verdoemenis.

Er moet een bedekking op die wet.


Bedekking op de wet.

De wet lag in Gods ark, onder het verzoendeksel.

Op de verzoendag kwam er bloed op het verzoendeksel. Bloed bedekte de wet.

Jezus bloed is ook op het verzoendeksel in de hemel gekomen.

Zijn bloed neemt de vloek van de wet weg.



Vers 15

Bedekking op het hart.

De bedekking verschuift van het gezicht van Mozes naar het hart van de hoorders.

Als de bedekking over de wet is dan is er mee te "leven". Wie zo met een bedekte wet leven kan, heeft een bedekking op het hart. We houden ons aan de wet. Het is een richtlijn, het geeft structuur, maar brengt ons niet tot leven.

Zolang de bedekking op je hart is, dan kom je niet tot geloof. Dan kun je niets zien, geen wet en ook geen heerlijkheid van het evangelie.

De Joden hebben een bedekking. Ze herkennen Jezus niet als Messias.

Dit is eerder gebeurd.



Vers 16

Wanneer het zich bekeert.

"Het" slaat op "het hart" uit het vorige vers. Als het hart zich bekeert, neemt God de bedekking weg.

NBV+NBG hebben "iemand" ipv "het".


De bedekking weg.

De bedekking wordt weggenomen. God doet dat.

Wanneer?

Als we ons bekeren.

Dan hoeven we de " heerlijkheid van Mozes" niet te zien, maar we mogen de heerlijkheid van Jezus zien.

We moeten ons omkeren. Niet naar "Mozes" kijken, want die is niet om aan te zien.

Bekeer je, zie op Jezus. Dan gaat de bedekking van je hart weg. Dan zie je Zijn heerlijkheid.

Daarna kun je ook naar de wet kijken. Jezus heeft de vloek van de wet weggenomen. Er is geen veroordeling voor hen die in Christus zijn.

De bedekking voor Israël zal worden weggenomen in de eindtijd.



Vers 17

Vrijheid.

Als Jezus vrij maakt, zijn we echt vrij:

  1. Van slavernij van de zonde.
  2. Van de wet.
  3. Van de dood.

In het oude testament moeten we overal Jezus gaan herkennen.

"De Heere nu is de Geest".


De Geest geeft ons "de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God "



Vers 18

Wij allen.

Alle gelovigen hebben deze ruimte. Allen zagen op Jezus. Allen zagen Zijn heerlijkheid. Allen zijn door Hem verlost van de vloek van de wet. Allen gaan op Jezus lijken.


Met onbedekt gezicht.

Het onbedekte gezicht hoort bij het Nieuwe verbond, bij het geloof.

Als wij zo de heerlijkheid vd HEERE zien, dan krijgt ons gezicht ook glans.

We worden veranderd van minder heerlijkheid tot meer heerlijkheid, net zoals eens bij Mozes.

De Geest vd HEERE bewerkt die heerlijkheid.


Van gedaante veranderd.

Het grondwoord is: metamorfose = gedaanteverwisseling.

We zien de heerlijkheid van Christus en willen zelf ook zo Zijn beeld gaan vertonen. Zo gaan we geestelijk groeien.

De heerlijkheid weerspiegelen.

We kijken als in een spiegel en zien de heerlijkheid van Jezus.

Maar via die spiegel straalt Zijn heerlijkheid ook naar ons.


Wij moeten ons licht laten schijnen, maar wij hebben van onszelf geen licht.

Wij zijn als de maan.

Maar... de maan ontvangt licht van de zon en kan daardoor licht laten schijnen.

Wie de maan ziet, weet dat de zon er ook is, ook al zien we de zon niet.

Zo moeten mensen, als ze ons zien, weten dat Christus leeft. Ze moeten Hem in ons herkennen. We weerspiegelen dan Zijn heerlijkheid.



<