Hoofdstuk 9


Vers 1

Kende Saulus Jezus?

Heeft Saulus Jezus persoonlijk gekend?



Vers 2

Enigen van de Weg.

Jezus zegt: "Ik ben de Weg".

Paulus vervolgt de volgelingen van Jezus.



Vers 3

Licht.

Het gebeurde midden op de dag.



Vers 5

Jezus gezien.

Wie hoorden de stem?

Hiel tegen de prikkel.

Dit spreekwoord komt uit de landbouw. Als een os onwillig was voor de ploeg, sloeg de os soms achteruit.

De boer hield dan een scherpe stok, een prikkel, achter de poot.



Vers 6

Waaruit kent hij zijn ellende?

Paulus kende de wet als geen ander. Hij was een farizeeër.

Toch kende hij zijn ellende NIET uit de wet, maar uit de ontmoeting met Jezus. In de spiegel van de wet, zag Saulus een onberispelijke man.



Vers 7

Ze hoorden wél de stem.

Ze hoorden de stem wel, maar ze begrepen niet wat er werd gezegd.



Vers 10

2 visioenen.



Vers 11

Tarsus.



Vers 12

2 visioenen.



Vers 15

Mijn Naam.

Daar gaat het om, om de naam van Jezus.

Wat denk jij van Jezus?



Vers 17

Handoplegging.

Zo ging het ook in Samaria.

Vervuld met de Heilige Geest.

Dat is net als met een fietsband. Steeds opnieuw moet de band gevuld worden.

In Handelingen 4:31 lezen we over "opnieuw vervuld".



Vers 18

De volgorde.



Vers 20

Paulus preekt.

  1. Jezus is de Zoon van God.
  2. Jezus is de Christus, de Messias, de Koning. (Vers 22)
  3. Hij preekt het koninkrijk van God. Handelingen 20:25.
  4. Het laatste dat hij preekte was het koninkrijk van God. Handelingen 28:23.



Vers 21

Allen die het hoorden.

Dat waren de Joden in de synagoge van Damascus.



Vers 23

Veel dagen.

Dat is 3 jaar.

Ze willen Paulus doden.

De ongelovige Joden wilden Saulus doden in samenwerking met de stadhouder van koning Aretas.



Vers 27

Barnabas.

Hij was een Leviet, afkomstig uit Cyprus.



Vers 28

In Jeruzalem.

Paulus was er 15 dagen.



Vers 29

Ze willen Paulus doden.

Paulus begrijpt niet dat ze hem willen doden, maar God zegt het tegen hem.



Vers 31

Hadden vrede.

Nadat Saulus tot bekering was gekomen, zijn de vervolgingen gestopt.


De vrees van de HEERE.

Dat is iets wat blijvend is.

Het heeft alles te maken met onze levenswandel.

Jesaja 11:2-3 een Christen moet als Christus zijn.

Wat is de vrees des HEEREN?



Vers 32

Heiligen in Lydda.

Jezus heet:

  1. De Heilige.
  2. De Rechtvaardige.

De gelovigen dragen de naam van hun bruidegom. Daarom heten zij: heiligen of rechtvaardigen.



Vers 35

Bekeerden zich.

Naast de prediking van het woord hadden ook de wonderen en tekenen een gunstige invloed.



Vers 36

Overvloedig in goede werken.

Het geloof van Dorkas was oprecht. Het werd zichtbaar.

Geloof en goede werken horen bij elkaar.



Vers 38

Lydda - Joppe.

Afstand 17 km.

Naar Petrus gaan was 3 uur lopen. De reis naar Joppe weer 3 uur.

Dorcas was al meer dan 6 uur dood.



Vers 39

Onder-en bovenkleding.

De grondwoorden wijzen op lange kleding. Het betrof dus grote lappen stof, tot op de enkels.

De weduwen konden waardig over straat met de kleding die Dorcas gaf. Dorcas had hen niet afgescheept met een 2e keus.



Vers 40

Knielde en bad.

Geestesgaven hebben we niet permanent tot onze beschikking.

Petrus bidt eerst en dan kan hij dit wonder doen.

Ook Paulus kon niet zo maar iedereen genezen.

In onze tijd.

In Nieuw Guinea, in het district Tari, was een vrouw overleden aan Hongkonggriep. Ruth Pinoko bad bij deze overledene en de dode stond op. Dit bracht veel mensen tot geloof. Jan Sjoerd Pasterkamp vertelt over dit wonder.



Vers 41

Heiligen en weduwen.

Heiligen zijn gelovigen. Zij zijn leden van de gemeente van Christus.

De weduwen hoorden misschien niet bij de gemeente. Dorkas deed goed aan álle mensen, ook ongelovigen.



Vers 43

Een leerlooier.

Het vervaardigen van leder veroorzaakte veel stank.

Een leerlooierij stond buiten de stad en vooral aan de kant waarheen de wind meestal waaide.

De stank was zo erg dat het een rechtsgrond voor echtscheiding kon zijn.

Bovendien werd een leerlooier als ritueel onrein beschouwd in de Joodse gemeenschap, omdat hij constant met dode dieren in aanraking kwam



<