Hoofdstuk 19


Vers 2

Een kroon en een Koning.

In de berechting spreekt Pilatus steeds over Jezus als Koning. Ook in de straf wordt door de doornenkroon Zijn koningschap benadrukt.

Israël verwerpt haar Koning.


Kroon van doorns.

Waarschijnlijk van de Syrische Christusdoorn (Zizyphus spina Christi). Die wordt 3-4 m hoog en heeft buigzame witte takken



Vers 3

Gegroet koning van de Joden.

Dit is een herhaling van het getuigenis van Gabriël.



Vers 5

Doornenkroon.

De aarde werd vervloekt en zou doornen en distels voortbrengen.

Ook die vloek draagt Jezus.


Zie de mens.

Ecce homo.

God zelf spreekt deze woorden over de gevallen Adam en Eva.

We moeten op deze mens zien.

Look unto me, and be ye saved.

Wie op déze Mens ziet, zoals Israël zag op de koperen slang, wordt gered door God.

Al dit lijden deed Hij om jou en mij te redden. Geloof je dat?

Jesaja had dit ook voorzegd.



Vers 7

Volgens onze wet.

Leviticus 24:16

Gods wet eist de dood vd zondaar in wiens plaats Jezus staat.



Vers 12

Verzet zich tegen de keizer.

Volgens Lex Juliana stond er doodstraf op de overtreding " zich tot koning maken".



Vers 14

Voorbereiding van het Pascha.

Het feest van de ongezuurde broden werd ook pascha genoemd, paasfeest.

Pesach, op 14 Abib, was de voorbereiding op dit pascha.

Pesach was ook een apart feest van God.

Het zesde uur.

Johannes gaat hier waarschijnlijk uit van de Romeinse tijd. Die gold daar in het paleis van Pilatus. Die tijd was hetzelfde als nu bij ons. Het was dus 's morgens 6 uur.

Om 9 uur, volgens de Joden het 3e uur van de dag, werd Jezus gekruisigd.



Vers 17

Hij droeg Zijn kruis.

Hierdoor zien mensen Hem als misdadiger.

Toch.. eigenlijk draagt Hij ons kruis.

Mijn kruis wordt Zijn kruis. Zo droeg Hij onze vloek.

Vervloekt is ook ieder die zich niet heeft gehouden aan Gods geboden.

De stad uit.

Jezus droeg de zonden van de hele wereld.

Op de verzoendag werd dat afgebeeld door de zondenbok.

Jezus was ook een zondoffer.

Het lichaam van het zondoffer (stier en bok) werd verbrand buiten de legerplaats.

Jezus moest dus buiten de stad sterven.

Zo kon Hij ons reinigen.



Vers 18

Gekruisigd.

Jezus hing aan het hout. Zo was Hij een vervloekte. Zo nam Hij de vloek van ons weg.

Jezus in het midden.

Niet Gij, maar ik moest sterven

en 's Vaders liefde derven.

Maar... U wilde mijn Verlosser zijn.

Dank, mijn Heiland voor Uw lijden.



Vers 19

Het opschrift.

In het Hebreeuws stonden er 4 letters: JHWH

Jeshua Hanotzri Wemelech Hayehudim.

De afkorting JHWH is de naam van God. Vandaar het protest van de Joodse leiders.

In het Latijn stond er: INRI

Jezus Nazarenus Rex Iudaeorum.



Vers 23

Onderkleed.

Dit was het meest basale kledingstuk.

Het had vrijwel altijd een horizontale naad ter hoogte van de middel. Jezus' onderkleed was dus heel bijzonder.

Een onderkleed van jute of geitenhaar was erg ongerieflijk want het irriteerde de huid. Daarom werd dat gedragen bij rouw of berouw.



Vers 24

Niet scheuren.

Volgens Leviticus 10:6 mocht een kleed vd hogepriester NIET gescheurd worden.

Jezus is hogepriester naar de orde van Melchizedek.



Vers 25

Minstens 4 vrouwen bij het kruis.



Vers 30

Het is volbracht.

Voor de straf is betaald.

Maar ... het verzoeningswerk van Jezus is nog niet helemaal volbracht.

Het Lam is wel geslacht, maar de verzoening is er pas als Zijn bloed op hét verzoendeksel is. Dat gebeurt als Jezus met Zijn eigen bloed in de hemel verzoening gaat doen.

Hebreeen 9:12



Vers 31

Benen breken.

Het is aan het eind van woensdag 14 Abib, Pesach.

De "grote sabbat" , de feestsabbat, de eerste dag van het feest van de ongezuurde broden, brak bijna aan. Daarom mogen er geen kruiselingen aan het kruis blijven.

Daarom brak men de benen. Dan kon de gekruisigde zich niet meer oprichten en als Hij alleen aan de armen hing stikte hij spoedig.

De kruisafname zou dan snel volgen, dood of levend.

Ontvluchten was onmogelijk, overleven ook.

Ze zouden gaan naar Dal van Hinnom om daar, desnoods levend, verbrand te worden.

Normaal bleven de kruiselingen dagenlang hangen, maar nu op het feest niet.


Van het kruis weggenomen.

Een terdoodveroordeelde mocht niet aan het hout blijven hangen.

Een grote dag.

In het Jodendom heet een sabbat ook wel “groot” wanneer:
de weeksabbat samenvalt met een feestdag.



Vers 32

Benen breken.

Men brak de onderbenen om de dood te bespoedigen.

(crurifragium)



Vers 33

Geen been gebroken.

Numeri 9:10-13 schrijft dat vh paaslam ook geen been gebroken werd.

De schaduw (paaslam) klopt met de werkelijkheid. (=Christus)


Gestorven.

Van Jezus' dood zijn veel getuigen.

Pilatus laat Zijn dood officieel vaststellen.

Dat was nodig. Toen Hij stierf werd Zijn bezit onze erfenis.

We zijn rijk.

Dit is een feit waaruit we mogen leven.



Vers 34

Speerstoot.

Ook toen gold een speerstoot als ontering van een lijk.


Bloed en water.

Het bloed had zich al gescheiden in helder plasma (water) en bloedcellen.

Johannes kende de pathologische betekenis niet, maar geeft hier wel een krachtig indirect bewijs dat Jezus echt gestorven was. Het is een wetenschappelijke aanwijzing voor de beste verklaring.



Vers 35

Die het gezien heeft.

Dat is Johannes.


Het doel van het evangelie.

Opdat u gelooft!!!



Vers 36

De Schrift wordt vervuld.



Vers 37

Zacharia 12:10



Vers 38

Jozef van Arimathea.

Hij was zeer vermogend.

Hij was een decaproot, een lid van het college van tien.

Ze vertegenwoordigden de Joden bij Pilatus.

Het was een ambt met risico. De Romeinen beschouwden de decaproten als gijzelaars. Ze hielden deze rijke personen verantwoordelijk zodat de schatting op tijd binnen kwam.


Vrees voor de Joden.

Vrees voor de leiders van de Joden.



<