Hoofdstuk 15


Vers 1



Vers 2

Overlevering van de ouden.

De farizeeërs geloofden dat deze overlevering door God aan Mozes was geopenbaard.

Het is de uitleg van de wetten. Dat is even belangrijk als de wetten zelf.


Handen wassen.

De farizeeërs wassen vaak. Met ongewassen handen eten, vonden ze even erg als hoererij.



Vers 3

Waarom overtreedt u...?

Jezus keert zich tégen deze menselijke instellingen. ( Vers 9) Ze bederven de echte vroomheid en ze dragen niets bij tot zaligheid.



Vers 5

Farizeeërs overtreden zelf.

Áls ouders ondersteuning nodig hebben, bv geld van de kinderen, dan konden de kinderen dat weigeren door te zeggen "korban" = een gave aan God gewijd. De farizeeërs hadden liever dat ze een geschenk in de tempel brachten, dan dat men het uit liefde aan de ouders gaf.

Wie zo'n gave aan de tempel deed, was voortaan ontslagen van de onderhoudsplicht van de ouders.

Zo ontkrachtten de farizeeërs het 5e gebod.



Vers 11

Wat de mond uitkomt..

Een gelijkenis.

In vers 15 vraagt Petrus naar de betekenis van deze gelijkenis.



Vers 13

Elke plant die God niet plantte.

Deze leer vd farizeeërs was niet uit God, maar uit de mensen.

God zal daar een eind aanmaken.

Later noemt Jezus deze leer: de zuurdesem vd farizeeërs.



Vers 14

Het zijn blinde begeleiders..

Het gaat over de farizeeërs.



Vers 18

Uit het hart.



Vers 21

Tyrus en Sidon.

Jezus gaat naar het buitenland. De heidenen zullen er ook bij gaan horen.



Vers 22

Kananese vrouw.

Feniciërs noemden hun land ook Kanaän.

Het was een Kanaänitische vrouw.

Volgens bisschop Clemens van Rome heette ze Justa. Haar dochter zou Bernice heten.



Vers 24

Israël.

In Israël lag de eerste opdracht van Jezus.

Als de Joden zich het evangelie onwaardig maken, gaat Jezus naar de heidenen. Zo deed Paulus later ook.



Vers 26

Hondjes.

Scheldwoord voor heidenen.

De grondtekst geeft niet het gewone woord voor (straat)hond, maar bedoelt een schoothondje, een hond die in huis mocht.

Dat geeft hoop, want Jezus zelf gebruikte dit woord.



Vers 27

Hondjes.

De grondtekst geeft niet het gewone woord voor (straat)hond, maar bedoelt een schoothondje, een hond die in huis mocht.

Dat geeft hoop, want Jezus zelf gebruikte dit woord.


Een kruimel.

Deze vrouw is al tevreden met een kruimel genade.



Vers 28

Groot geloof.

Zij herkende Jezus als de Zoon van David.

Dat wilden de farizeeërs juist niet horen.

Ze nam er geen genoegen mee dat Gods genade beperkt zou zijn tot Israël. Ze gelooft dat er ook genade is voor de heidenen. Dat is groot geloof.


Les voor ons.



Vers 30

Hij genas hen.

Met ontzettend veel tekenen liet Jezus opnieuw zien dat het koninkrijk gekomen was.

De mensen waren blij en brengen God lof.



Vers 36

Eerst het koninkrijk.

Deze mensen zochten eerst het koninkrijk.

Alle andere dingen kregen ze erbij:



Vers 39

Magdala.

Magdala = het zouten van vis.

Tegenwoordig heet het Migdal. Het ligt 3 km ten noorden van het meer van Galilea.

Hier kwam Maria Magdalena vandaan.



<