Hoofdstuk 24


Vers 1

Bezweringen.

Occulte handelingen om boze geesten te weren.



Vers 4

Nofél

=neervallen.



Vers 7

Agag.

= titel van een Amelekietische koning, zoals

In Septuaginta heet Agag Gog.

Ook Haman was Agagiet.

Christus zál Gog verslaan.




Vers 8

Hoorns.

Dat zijn tekenen van macht.

God geeft macht en kracht aan Israël.

Bileam ziet al het koningshuis van David en dan ook zeker de Messias. Zie vers 17.



Vers 9

Wie u zegent..

Die woorden gebruikte Izak toen hij Jakob zegende.



Vers 14

Openbaring 2:14


In later tijd.

Letterlijk:aan het eind van de tijden.

Vgl. Genesis 49:1.


Ik zal U raad geven.

In Numeri 31:16 lezen we dat die raad heeft te maken met de afgoderij en ontucht van Numeri 25.



Vers 15

De ogen geopend.

God laat Bileam een visioen zien. Hij mag ver in de toekomst kijken.

Vers 16.



Vers 17

Ster en scepter.

De ster lijkt te maken te hebben met de eerste komst van Jezus. Maar Mattheüs, die over de ster van de wijzen schrijft, en die graag bewijzen uit het OT aandraagt, noemt deze tekst van Bileam helemaal niet.

Zowel "ster" als "scepter" zijn waarschijnlijk een persoon, Jezus.

Ster ziet waarschijnlijk op Morgenster. Dit is de naam van Jezus.

Zo verschijnt Hij, bij de opstanding en opname van de gelovigen, vóórdat Hij als "Zon der Gerechtigheid" komt, bij de wederkomst.

Dan gaat Hij regeren.

Daarop ziet de "scepter".

Dan is ook het oordeel over de volken. Ook daarnaar wordt door Bileam verwezen.

Kinderen van Seth.

Volgens de kanttekening SV zijn dat alle volken op aarde.

Ze komen allemaal onder de heerschappij van de Messias.

Noach en zijn nakomelingen waren uit Seth.

Maar...in de tekst staat: vernietigen.


Het Hebreeuwse woord šēt hangt samen met een wortel die kan betekenen:

Dan betekent “zonen van Seth”:

Dat past goed bij de parallel met Moab, een vijandig volk.



Vers 18

Anders.

NBV21:



Vers 20

Amalek.

Amal = haat.

De Amalekieten vielen Israël aan in de woestijn.

Het waren nakomelingen van Ezau.

Ze waren de voortrekkers in vijandigheid.

In vers 7 staat, dat Israëls koning boven Agag verheven zal worden.

Agag is de titel van de Amalekietische koning.

In de Septuaginta wordt in vers 7 de naam Gog gebruikt.



Vers 21

Kenieten.

De Kenieten woonden ook in Kanaän.

Jethro, de schoonvader van Mozes was ook een Keniet.

Zijn nakomelingen woonden ook temidden van Israël. Jaël, de vrouw die Sisera doodde, was gehuwd met Heber, een Keniet.



Vers 22

Kaïn.

Waarschijnlijk is Kaïn een onbekende voorvader van de Kenieten.

Samen met het latere 10-stammenrijk zullen de Kenieten weggevoerd worden door Assyrië.


Waarom de naam “Kaïn”?
De naam Kaïn roept bewust associaties op met:

Net als de eerste Kaïn:
bouwt dit volk op eigen kracht, maar ontkomt niet aan Gods oordeel.



Vers 24

Kittiërs.

Dat zijn de Romeinen.

Heber.

Heber is de voorvader van Abraham.

Joden heten ook wel Hebreeën.

De Romeinen (Kittiërs) hebben Israël onderdrukt en uiteindelijk verstrooid in 70 n C.



Vers 25

Naar zijn woonplaats.

Bileam woonde in Pethor, een plaats in Noord-Syrië, dichtbij Turkije.

Daar kwam hij nooit terug, want hij werd gedood.



<