Hoofdstuk 11


Vers 1




Vers 3

Tabera.

= verbranding.



Vers 4

Samenraapsel.

Er was ook gemengd volk meegetrokken.

Mogelijk hoorde ook de tweede vrouw van Mozes daarbij.

God had deze verbintenis niet verboden.

Israël mocht géén verbintenis aangaan met Kanaänieten.



Vers 16

70 oudsten.

Er worden allemaal mannen aangesteld.

Deze oudsten zijn gekozen op Gods bevel en niet op aanraden van Jethro, de schoonvader van Mozes.

Jethro stelde mensen voor die oversten over 1000 waren of over 100 of over 10.


In Exodus 24:9 zijn er ook al 70 oudsten die Mozes naar Sinaï begeleiden.

Misschien hoort dit gedeelte uit Numeri hier chronologisch net voor.



Vers 19

Kwakkels als straf.

In Exodus 16:13 kreeg het volk ook kwakkels, maar daar lezen we niet over straf van God.



Vers 21



Vers 22

Vlees voor zo'n groot volk?

Mozes had dit al eerder meegemaakt, nl. in Exodus 16:13.

Hij had hier dus geen ongelovige vraag hoeven stellen.

In Exodus 24:9 zijn er ook al 70 oudsten die Mozes naar Sinaï begeleiden. Misschien hoort dit gedeelte uit Numeri daar chronologisch net voor. Dan had Mozes de kwakkels nog niet meegemaakt.



Vers 24

Mozes verzamelde de 70.

Mozes stuurde een schriftelijke uitnodiging volgens vers 26.

Er waren er nu echter maar 68, want Eldad en Medad waren niet gekomen.



Vers 25

De Heilige Geest komt.

De 70 oudsten krijgen de Heilige Geest. Die geeft hen bekwaamheid.

Dat wordt uiterlijk zichtbaar in het profeteren.



Vers 26

Eldad.

= door God bemind.


Medad.

= beminde.



Vers 31

Ongeveer 2 ellen.

Ze vogels vlogen ongeveer 1m hoog.

Het was najaarstrek, grote aantallen, vet vlees.



Vers 32

10 homer.

Ongeveer 350 liter.


Uitspreiden.

Men legde de dode vogels neer om het vlees te drogen.



Vers 33

Een zeer grote slag.

Volgens Psalm 78:31 stierven juist de sterksten.



Vers 34

Kibroth-Thaäva.

= graven van gulzigheid.

= lustgraven.



<