2e deel van het boek.
De nachtgezichten gaan t/m hoofdstuk 6. Nu beginnen de godsspraken.
Er verschijnt ook een nieuwe datum in vers 1.
De maand Kislew is ongeveer november - december.
Het is nu 2 jaar na de aanvang van de tempelbouw.
Darius.
Darius Hystaspes, een Perzische koning.
Sarezer en Regem-Melech.
Deze mannen gingen naar het "huis van God".
Waar is dat?
Deze personen komen, volgens een andere vertaling, vanuit Bethel naar de tempel in Jeruzalem.
Het gaat om de "tempel van de HEERE van de legermachten".
Bethel was een religieus centrum geweest, want daar stond een van de gouden kalveren.
Gunstig te stemmen.
Letterlijk:
Heidenen aaiden het gezicht van het afgodsbeeld om de afgod gunstig te stemmen.
Betekenis van “gunstig stemmen”.
De uitdrukking betekent:
Het gaat dus niet om “God manipuleren”, maar om in ootmoed tot Hem naderen.
1. Hebreeuwse achtergrond
In het Hebreeuws staat hier letterlijk:
“het aangezicht van de HEERE verzachten / smeken”
Het werkwoord חָלָה (chālāh) kan betekenen:
2. Bijbels gebruik.
Deze uitdrukking komt vaker voor, bijvoorbeeld:
Exodus 32:11 – Mozes smeekt de HEERE na de zonde met het gouden kalf
1 Samuel 13:12.
2 Kronieken 33:12. (Manasse)
Steeds gaat het om:
Tegen de profeten.
We kennen twee profeten in die tijd.
Vijfde maand.
In de vijfde maand werden de stad Jeruzalem en de tempel verwoest door de Babyloniërs.
In Jeremia 52:12 is de datering anders, maar de verwoesting vond ook niet op één dag plaats.
Wat is vasten?
Men onthoudt zich van bepaalde dingen om in verootmoediging de volle aandacht op God te richten.
Het moet geen loze uiterlijke handeling zijn.
Vasten.
In de vierde maand op de negende dag kwamen de bressen in de muur van Jeruzalem.
In de vijfde maand op de tiende dag: tempel verwoest.
In de zevende maand op de derde dag werd stadhouder Gedalia vermoord.
In de tiende maand op de tiende dag begint Nebukadnezar met de belegering van Jeruzalem.
Al zoveel jaren.
Al meer dan 70 jaren hadden ze deze vastendagen gehouden. De teruggekeerden uit Babel hadden die vastendagen waarschijnlijk afgeschaft. Vandaar die vraag: wat moeten we nu?
God hecht er weinig waarde aan. God wil liever dat er recht gedaan wordt en dat men leeft in waarheid en vrede.
Vasten.
David combineerde bidden en vasten.
Vasten is acceptabel voor God als degene die vast zich volledig op God richt.
We moeten ons helemaal aan God overgeven.
Vasten laat God vrij. Het is zeker geen hongerstaking waarmee we God willen dwingen.
Wanneer vastte men?
Tegen volk en priesters.
Zacharia moet tegen heel het volk zijn boodschap richten. Ook tegen alle priesters, ook priesters die bij het religieuze centrum in Bethel dienst deden.
Voor Mij gevast?
De Joden weenden méér over verlies van het land en stad en tempel dan over de zonde tegen God. Ze vastten niet om de oorzaak van al dat leed te betreuren, nl. hun afgoderij. Hun vasten was uitwendig. Alleen een verbroken hart is God aangenaam!
Zevende maand.
Toen werd Gedalia vermoord.
Speciale klemtoon.
In de grondtekst gaat het over hét eten en hét drinken.
Dat zijn eetfestijnen en drinkgelagen die aan de vastendagen voorafgaan, vergelijkbaar met carnaval.
Geen direct antwoord.
God zegt géén ja en géén nee. Ze mogen het zelf weten. Ze moeten goed over het woord van Zacharia nadenken.
God bemoedigt toch.
In Zacharia 8:18-19 komt God terug op de vraag over het vasten.
Hij bemoedigt Israël en geeft ongekende beloften van heil.
Vroegere profeten.
Profeten vóór de ballingschap, bv. Jesaja, hadden dezelfde vraag van hun voorouders reeds beantwoord.
HEERE van de legermachten.
Zo noemt de HEERE zich, want het volk Israël is nog steeds "Lo-ammi" = Mijn volk niet.
Wat vraagt de HEERE van ons?
In deze en de volgende tekst geeft God opnieuw aan wat Hij van ons wil.
Een ieder aan zijn naaste.
Vóór het woord "aan zijn naaste" staat het woordje "eth". Als we dat woordje wél vertalen, dan staat er: laat een ieder dat uit liefde tot zijn naaste betonen.
Een oud gebod!
Maar ze weigerden.
"Ze" zijn in de eerste plaats de voorouders die vóór de ballingschap leefden.
Israël hóórde wel, maar lúisterde niet. Luisteren betekent ook dóén wat er gevraagd wordt. Om de ongehoorzaamheid kwam de straf. Niet luisteren is al de zonde uit de hof van Eden.
Door de Geest.
De profeten spraken woorden die de Heilige Geest ingaf.
Grote verbolgenheid.
Wie God niet gelooft, maakt Hem tot leugenaar.
Daarover wordt God boos.
In hun nood luisterde God niet.
Als God Zijn bescherming opheft, dan komt er veel ellende. Ook satan grijpt zijn kans.
Voorbeeld.
Israël bidt wel, maar God luistert niet meer.
Die zij niet kenden.
Die hen niet (her) kenden (als Gods volk).
Verwoest.
Rond 1900 waren er in Israël nog nauwelijks bomen en heerste er malaria.
Hier gaat Deuteronomium 28:64-68 in vervulling.
Hier zie je een keihard bewijs voor het bestaan van God en de waarheid van de Bijbel.
Begerenswaardige land.
Het heet ook wel:
Kostelijke land.
Allersierlijkste erve van de volken.
Sieraad.