Hoofdstuk 4


Vers 1

Dit was..

God maakte het Jona waarschijnlijk bekend, dat Hij de stad zou sparen, omdat de inwoners zich bekeerden.


Een boze Jona.

Jona dacht misschien:

In dit "protestgebed" laat Jona zien wat er diep in zijn hart leeft. Ons vlees, onze zondige natuur blijft bij ons. Jona is zo géén type van Christus.

God laat zich niet tegenhouden door Jona om genade te bewijzen, maar het kost wel moeite om Jona tot andere gedachten te brengen.

Rechtvaardige toorn mag.

Ef 4:26.



Vers 2

Jona wist hoe God is.

Tegenover een falend volk staat steeds Gods genade en gunst. Gods eigenschappen getuigen daarvan.

Bidden terwijl je woedend bent, kan eigenlijk niet. Toch doet Jona het. Het benoemen van Gods eigenschappen klinkt uit Jona's mond als een dissonant.


Ik-gericht gebed.

Jona bidt zoals de farizeeër uit de gelijkenis. Jona gebruikt steeds "ik".


Zo anders dan Abraham.

Abraham bad voor het behoud van het zondige Sodom. Jona wil het behoud van de Assyriërs NIET.



Vers 3

Jona en Simeon.

Net als de Joden onder NT misgunt Jona het heil aan de heidenvolken.


Simeon vraagt heel anders om het einde van zijn leven. Hij wil wel graag het heil voor de volken. Dat wil Jona niet.



Vers 5

Jona maakt een afdak.

Jona wist al dat God Nineve zou sparen en toch hoopt hij nog dat God de stad toch zal vernietigen.

In dit opzicht kende hij God slecht.



Vers 6

Wonderboom.

Jona is blij met Gods goedheid. Jona krijgt in korte tijd veel schaduw. Hij ziet het wonder nauwelijks. Maar God wil Jona er veel mee leren.


Gods les.

Jona is blij met zijn comfort, maar bekommert zich niet over zijn medemensen.

Hoe is dat bij jou?



Vers 8

Ik-gericht.

Jona blijft nog steeds "ik-gericht".



Vers 11

Tijdelijke bekering.

In Nahum lezen we over de val van Ninevé. De Assyriërs zijn weer in de afgoderij terug gevallen.

Jona wilde liever de ondergang van Ninevé dan dat hijzelf zijn gezicht verloor.


Mensen.

Het gaat waarschijnlijk over kinderen.



<