Hoofdstuk 1


Vers 1

Amos.

Profeet?

Nergens wordt Amos profeet genoemd. Wél heet hij ziener.

Veehouder.

Nôqêd komt slechts 2x voor in OT. De tweede keer staat in

Daar gaat het over koning Mesa van Moab.

Amos was dus waarschijnlijk geen gewone schaapherder, maar een veehouder met een grote veehouderij. Hij was herenboer.

Dat wordt bevestigd door

Thekóa.

= stad in Juda, ten ZO van Bethlehem.


Over Israël.

Dat betreft waarschijnlijk zowel het 2-stammenrijk als het 10-stammenrijk.

Er worden ook 2 koningen genoemd.

Beide "volken" zijn dragers van de belofte aan Abraham en van het verbond.


Profetie.

Profetie vooral tegen 10 stammen, maar hij spreekt ook tegen de 2 stammen.

Beide rijken op de top van hun macht. Daardoor had Amos' profetie de schijn tegen.


Aardbeving.

Flavius Josefus:

757 voor Chr was dé aardbeving ttv. Uzzia.

Deze profetie is van 759 v C.



Vers 2

De HEERE brult uit Sion.

Op Sion is Gods woning.

God spreekt met macht en kondigt straf aan.

Strafgericht: grote droogte?


De weiden.

Het gaat om weiden, plaatsen, landouwen, woongebieden. We moeten denken aan een aantrekkelijke streek waar rijken hun buitenverblijf hadden. Dat was bij het Karmelgebergte.


De herders treuren.

Herders:

  1. Gewone schaapherders.
  2. Leiders, regenten. Dus de rijken die bij Karmel hun buitenverblijf hadden.

God gaat een einde maken aan de overdaad en de verspilling. Ze leiden een leven zonder God.


Aarzeling?

Zie aantekeningen bij



Vers 3

Vanwege 3, vanwege 4.

Er is veel verwarring over de uitleg .

IJzeren dorssleden.

Waarschijnlijk reed men over krijgsgevangenen heen.

Hazaël was zo'n wreedaard.

Maar.. een leger rijdt niet met dorssleden. Die hebben de soldaten niet eens bij zich.

Misschien zijn het geen letterlijke dorssleden. Een leger neemt toch geen dorssleden mee.

In Jesaja 41:15 wordt ook Israël een dorsslede genoemd. Israël rekent daar af met vijanden. De dorsslede is dan een beeld van kracht en overmacht.


Vanwege.

Het Hebreeuwse "al" kan ook vertaald worden met: boven, of voorbij.

Dan staat er:

VdW:

Gezien de grondtekst kan deze zin ook als vraag vertaald worden.


Met ijzeren dorssleden.



Vers 4

Huis van Hazaël.

De dynastie van Hazaël.

Het kan hier ook over zijn opvolgers gaan.

2 Koningen 8:12.

2 Koningen 10:32-33.


Benhadad.

= titel.

Hazaël was een benhadad. (zoon van de afgod Hadad)

Ook "farao" is zo'n titel.

In 732 voor Chr wordt Damaskus ingenomen door Assyrië.



Vers 5

De grendel.

Het gaat over de afsluitbalk waarmee de stadspoort vergrendeld wordt.

In 732 v C veroverden de Assyriërs Damaskus en werd koning Rezin verslagen.


De inwoner uitroeien.

Het grondwoord voor uitroeien kan ook vertaald worden met afsnijden.(vgl besnijdenis). Dus: wegsnijden uit de samenleving.


Bikeat-Aven.

= dal van afgoderij.

Waarschijnlijk de Beka-vallei die nu in Libanon ligt.


Beth-Eden.

= huis van genot (2e paleis). De scepterdrager is de koning van Syrië.

Het lag in Noord-Syrië.


Kir.

= deel van Assyrische rijk.

Volgens Amos 9:7 het oorspronkelijke thuisland van de Syriërs.

Daarheen gaan de Syriërs in ballingschap.



Vers 6

Vanwege 3, vanwege 4.

Zie vers 3 aantekeningen.


In ballingschap gevoerd hebben.

De grondtekst heeft het niet over verleden tijd.

Het gaat om een Filistijns doel in de toekomst.

Een boos plan dus.

Na de val van het 10 stammenrijk vluchtten velen naar het zuiden. Niet naar Juda, want dat was na de inval van Pekah van het 10-stammenrijk en Rezin van Syrië een vijandig land.

Gaza neemt vluchtelingen gevangen en verkoopt ze als slaven aan Edomieten.

Gaza had een slavenmarkt en Edomieten waren slavenhandelaren.

Kopermijnen in Edom.

Ondergang van Filistijnen.

Gath wordt niet genoemd, dat was al in 711 v C. door Assyrië verwoest.

In de tijd van Alexander de Grote wordt deze profetie van Amos vervuld.



Vers 7

Vuur werpen.

Dat gebeurde in 711 v C toen de Assyrische koning Sargon Gaza veroverde.



Vers 8

Scepterdrager.

= koning.


De stad Gath ontbreekt.

De stad Gath had veel geleden van aanvallen van Hazaël van Syrië.

Gath speelde geen rol van betekenis meer.


De rest van de Filistijnen komt om.

Deze oordeelsprofetie heeft een definitief karakter.

Dat definitieve einde kwam onder Nebukadnezar.



Vers 9

Vanwege 3, vanwege 4.

Zie vers 3 aantekeningen.


Tyrus.

Toen Moab en Ammon aanvielen, vielen de Tyriërs en Edom ook Israël binnen.


Uitgeleverd aan Edom.

Tyrus verkoopt Joodse slaven aan Edom. Dat hadden de Filistijnen ook gedaan, volgens vers 6.

Edomieten zijn nakomelingen van Ezau, aartsvijanden van Israël.

Edomieten hadden kopermijnen waar veel slaven nodig waren.


Verbond.

Tyrus dacht niet meer aan het oude verbond dat ze hadden met David en Salomo.



Vers 10

Tyrus in 2 gedeelten.

  1. Oud-Tyrus. Dat is de woonkern op het vasteland.
  2. Nieuw-Tyrus. Dat was een versterkt eiland voor de kust. Dat was hét handelscentrum. De Assyriërs veroverden alleen Oud-Tyrus.

Verovering van Tyrus.

Zie aantekeningen bij Ezechiel 26:3.



Vers 11

Vanwege 3, vanwege 4.

Zie vers 3 aantekeningen.


Edom, aartsvijand.

De houding van Edom.

De Edomieten hebben een houding van altijd durende wraak op Israël.


Barmhartigheid teniet gedaan.

Na de ondergang van het 10 stammenrijk kwamen er veel Joodse slaven, via de slavenmarkt van Gaza, naar de kopermijnen van Edom. Erbarmelijke omstandigheden.


Ondergang van Edom.



Vers 12

Teman:

Bozra:

Hoofdstad van Edom.



Vers 13

Vanwege 3, vanwege 4.

Zie vers 3 aantekeningen.


Ammon.

Nakomeling van Lot en zijn jongste dochter.

Toen Hazaël het Over-Jordaanse innam, veroverden de Ammonieten Gilead. Ze begingen erge wreedheden.

Gilead was ook al getroffen in



Vers 14

Rabba.

Rabba = Amman.

Het is de hoofdstad van Ammon.


Paleizen verteren.

Flavius Josefus schrijft dat Nebukadnezar dit oordeel uitvoerde in 582 v C.


Rond 2e eeuw na Chr. zijn de Ammonieten opgegaan in de Nabateeërs.



Vers 15

"En hun koning" :

Er staat "en hun Moloch".

Moloch was de afgod van Ammon.

Amos bedoelt hier waarschijnlijk dat koning en afgod ten ondergaan.



<