Hoofdstuk 4


Vers 2

Zondoffer.

Verzoendag en Jezus als zondoffer.



Vers 13

Opnieuw wordt benadrukt dat het om niet-opzettelijke zonden gaat.



Vers 18

Altaar.

Het reukofferaltaar.



Vers 20

Zoals bij het zondoffer.



Vers 22

Niet-opzettelijk.

Opnieuw wordt benadrukt dat het om niet-opzettelijke zonden gaat.



Vers 23

Het zondoffer

Het is voor de priester een stier. Leviticus 4:3 Ook voor de gemeente. Leviticus 4:13 Maar voor deze leiders is het een bok. Leviticus 4:23

Voor een gewone persoon is het een vrouwtjesgeit of een ooilam. Leviticus 4:32

Is iemand arm, dan mogen ook 2 duiven, één als zondoffer en één als brandoffer. Leviticus 5:7

Is iemand zelfs voor 2 duiven te arm, dan mag 1/10 meelbloem. Leviticus 5:11

Maar, steeds geldt dit voor onopzettelijke zonden.



Vers 24

Verschillende offerdieren.



Vers 29

Hand op de kop.

Worden daardoor zonden overgedragen?

Ja, zeker bij de bok die de woestijn werd ingestuurd op de verzoendag.

Bij een brandoffer gaat het goede van het dier over op de offeraar. Dan is het dus net andersom.

Het offerdier / zondoffer is niet onrein geworden door zonden die erop gelegd zijn.

Jezus werd ook niet onrein toen Hij tot zonde gemaakt werd. Het Lam van God bleef rein.

Het dier / zondoffer is

allerheiligst.

Wat het zondoffer aanraakt, wordt heilig.

Zo was het ook bij Jezus. De onreine melaatse werd rein toen Jezus hem aanraakte.

Priesters aten het zondoffer op een heilige plaats.

Handoplegging op de kop van een offerdier.

Dat gebeurde bij de priesterwijding.

Het gebeurde als een priester gezondigd had.

Het gebeurde als het volk of leiders uit het volk gezondigd hadden.

Het gebeurde ook bij een brandoffer.



<