Naam.
In het Hebreeuws: En Hij riep.
In Septuaginta: Leviticon.
Offerdieren.
De offerdieren kwamen uit het vee.
Hoewel herten en gemzen ook reine dieren zijn, mochten die niet geofferd worden. Ze mochten wel worden gegeten.
Brandoffer.
Jezus als brandoffer???
In Jesaja 53:10 brengt Jezus wel een schuldoffer, maar nergens lezen we dat Jezus een brandoffer is.
Hand op de kop.
De zonden worden overgedragen van mens naar offerdier.
God neemt het dier i.p.v. de offeraar.
Slachten.
Dat gebeurde aan de noordkant, dus rechts van het altaar. De ingang van het heiligdom was aan de oostkant.
De huid.
De huid was voor de priester. In de voorhof stonden 8 stenen pilaren, elk voorzien van 3 haken om het afstropen van de huid makkelijker te maken.
Vuur maken.
Dit heilige vuur moest altijd blijven branden.
De priester gaat dus een groter vuur maken.
Wassen.
Er mocht geen onreinheid op het altaar komen, bv. mest.
Zout.
Altijd voegde men een beetje zout toe, teken van Gods verbond.
Noordkant.
De Joden zeggen dat Izak ook aan de noordkant werd geofferd.
Aan de noordkant was ook Golgotha, een deel van Sion. Sion is de berg van het nieuwe verbond.
Offerdier in stukken.
De priester verdeelde het offerdier in stukken. Men mocht een lam niet ongedeeld offeren.
Bloed van de duif.
Ook de armsten moesten bloed storten tot verzoening.
Dat was te weinig bloed om het te sprenkelen. Daarom werd het tegen de zijwand van het altaar geduwd.
Oostkant.
Dat is in de richting van de voorhof, in de richting van de ingang van het heiligdom.