Hoofdstuk 1


Vers 1

Joël.

= JHWH is God.

Joel 3:1. Joel 3:18-20.

Anderen menen dat Joël leefde ttv de profeet Zacharia. Toen was Perzië de wereldmacht.


Zoon van Pethuël.



Vers 2

Is dit gebeurd...?

exodus 10:6.

Deze sprinkhanenplaag zal dus erger zijn dan de 8e plaag in Egypte.



Vers 4

4 verschillende sprinkhanen.



Vers 5

Dronkenschap.

De enige zonde die Joël noemt. Hadden ze maar gedaan zoals 2 Kronieken 7:13-14 beschrijft.


Amos 4:9.

Spreuken 30:27.

Klaagliederen 3:33.



Vers 6

Een volk is opgetrokken.



Vers 7

Mijn wijnstok.

=Israël.

Als dit over Israël gaat, dan zijn de sprinkhanen beeld van vijandige legers die "Gods volk in Gods land" verwoesten. Leviticus 25:23.



Vers 8

Weeklagen.

Het volk moet net zo treuren als deze jonge vrouw. Ze werd weduwe. Het volk is immers God kwijt. God is voor Israël als een vijand.



Vers 9

Offers zijn weggenomen.

Het land is kaal.

Joël 2:3.

Er is geen opbrengst over.

Geen offers zijn meer mogelijk . De priester treurt.


De tempel is nog niet verwoest volgens vers 14.

Joel 2:14 roept op tot bekering. God kan zeker van gedachten veranderen.

Voorbeelden:



Vers 12

Verdord.

Er is waarschijnlijk nog een 2e natuurramp, nl. droogte.



Vers 14

Een vastentijd.

God wil bekering.

Nehemia 1:4.

Vasten.

Hoe wil God het vasten?



Vers 15

Dag van de HEERE.

Deze grote nood, van sprinkhanen en droogte, deed de gedachte opkomen aan de dag van de HEERE. (= tijd van oordeel, vooral tijd van de grote verdrukking).



Vers 17

Andere vertaling in de Septuaginta.

"De zaadkorrels....kluiten" wordt in Septuaginta en dode zeerollen anders vertaald:

Dat klopt beter met de droogte, die in vs 18-20 wordt beschreven.



Vers 19

3e natuurramp.

Bos- en heidebranden. Die zijn weer het gevolg van droogte.

Of: de vijanden staken alles in brand.



Vers 20

Anders dan Nineve.

Mens en dier schreeuwt tot God. Zo was het ook in Nineve. Maar dáár was bekering. God wil ook bekering in Israël. Die bekering blijft uit.



<