Hoofdstuk 13


Vers 1

Hij verhief zich.

hij stierf.

Véél vertalingen hebben : en hij stierf.

Dat is niet logisch. De tien stammen stierven niet, want ze zullen er bij zijn als het Messiaanse rijk komt.


Beter vertaald:

Dat klopt ook beter met vers 2.



Vers 2

"Mensen die offeren".

Dat moet misschien wel zijn:



Vers 3

Rook uit een venster.

Als we God verlaten zijn we als mist, dauw, kaf, rook. Het is snel weg.


Brandstof.

De voornaamste brandstof was het hout van de witte brem. De sintels van deze struik blijven nog lang warm en kunnen weer snel tot vuur gemaakt worden.



Vers 6

God vergeten.

Mozes had gewaarschuwd.

God zorgde trouw. Israël werd toch ontrouw.



Vers 7

God is boos.

God vergelijkt zich met roofdieren.

  1. Een felle leeuw.
  2. Een luipaard.
  3. Een berin.
  4. Een leeuwin.



Vers 8

De moederliefde van de berin is beschadigd. Zo is ook God erg gekwetst. God vergelijkt dat met verscheurende dieren: leeuw, luipaard, beer.



Vers 9

VdW: "wie zal dan uw helper zijn?". Israël is zonder bescherming.



Vers 11

God gaf in boosheid een eerste koning.

God zet de koning Saul ook weer af.



Vers 12

Zonden gebundeld.

"Gebundeld"

VdW heeft:

Dus officieel vastgesteld. Dus het is een soort vonnis.

Van meest gezegende volk vervalt Israël tot verschoppeling.



Vers 14

God zal lo-ammi weer tot ammî maken.


Graf: = sheool.

sheool is het rijk van de dood.


VdW:



Vers 15

Vrucht dragen.

Pârâ=

Dat past niet in de context. Israël is al in verval.

We kunnen ook lezen:

"pere" =

VdW:

omdat hij als een wilde (ezel) was onder zijn broeders...

Wilde ezels stonden bekend om ontembare geslachtsdrift. Zo wordt Efraïm getypeerd, niet te remmen afgoderij en ontucht.


Wind des Heeren = adem des Heeren.



<