Hoofdstuk 36


Vers 1

Bergen van Israël.

=Samaria en Judea.


Tot 1948 hebben de VN diverse voorstellen gedaan om in Samaria en Judea een Palestijnse staat op te richten, maar de Palestijnen hebben die voorstellen categorisch naar de prullenbak verwezen. Die voorstellen hebben daarom geen enkele juridische binding. Wat telt, is het mandaat.
Een belangrijk rechtsprincipe is ook de zogenaamde ”uti possidetis juris”-regel: nieuwe staten krijgen de grenzen die onder de voorgaande soevereine macht bestonden. Rechtsgeleerden als Eugene Kontorovich en Natasha Hausdorff wijzen erop dat dit in het geval van Israël betekent dat Judea en Samaria bij het Israëlische grondgebied horen.

Experts in het internationaal recht wijzen erop dat Judea en Samaria Israël toekomen. Dat vloeit voort uit het VN-Mandaat voor Palestina (1922), dat de Joden een nationaal tehuis in Palestina toezegt. Toen de Britten in 1948 als mandaathouder uit Palestina vertrokken, kwam dat neer op het gebied tussen de Jordaan en de Middellandse Zee. Israël kreeg toen echter niet de beschikking over Judea en Samaria, omdat Jordanië die twee gebieden tijdens de oorlog in 1949 annexeerde. Pas na de Zesdaagse Oorlog (1967) kreeg Israël de gebieden in handen.

De bezetting van de Westelijke Jordaanoever door Jordanië (1948) werd door bijna alle landen in de wereld als illegaal veroordeeld.

De naam "Westelijke Jordaanoever" probeert de originele namen uit te wissen: Judea en Samaria. Die twee namen herinneren aan Joden.



Vers 2

De vijand.

Dat kan dus Edom zijn.



Vers 3

Overblijfsel vd heidenen.

Palestijnen zijn nakomelingen van mensen uit alle windstreken. Dat is nog te zien aan de namen.



Vers 4

Overblijfsel vd heidenvolken.

De heidenvolken hadden ook grote verliezen geleden door Nebukadnezar.



Vers 5

Onbewoonbaar land

Rabbi Abba (250) en ook de Duitse architect vd Joodse wijk (1850) verklaren beide dat dit land onbewoonbaar is.

God belooft verandering in vers 8.



Vers 6

Smaad vd heidenen gedragen



Vers 7

God zweert

De heidenen zullen gestraft worden voor hun handelwijze tegenover Israël.



Vers 8

Dit wordt letterlijk vervuld.

Het Joods Nationaal fonds werkt daar hard aan.

De wijngaarden zijn er weer.



Vers 10

Heel Israël.

Dus 12 stammen zullen terugkeren.



Vers 12

Kanaän, blijvend bezit

God brengt Israël thuis in het land dat Hij Abraham beloofde.

Ze zullen daar niet meer uitgaan.



Vers 20

Vertrokken uit Zijn land.

Israël moest Gods land verlaten. Daarmee ontheiligde Israël Gods Naam onder de volken.

Het was alsof God:



Vers 23

Gods naam wordt ontheiligd.

Heiligen.

Hier heiligt God Zijn Naam.

In Ezechiel 28:25 heiligt Israël Gods Naam.


Uw Naam worde geheiligd.

Als God Zijn Naam heiligt, dan komt Israël terug in Kanaän. Dan komt Gods koninkrijk en dan gaat overal Gods wil gebeuren.

Daar bidden we om in het "onze Vader".


Ik zal...

18x zegt God: "Ik zal". Dat is de basis voor de hoop.



Vers 24

Terugkeren en bekeren.

In Deuteronomium 30:2-3 staat eerst bekering en daarna terugkeer naar het land.

Hier lijkt het omgekeerde te staan.



Vers 25

Heel Israël wordt zalig.

Romeinen 11:25-26

God gaat opnieuw Zijn Heilige Geest uitstorten.

Zacharia 12:10-11.


We lezen hier eerst over bekering en wedergeboorte, zelfs het schenken vd Heilige Geest. In vs 28-30 over zegeningen. Pas daarna in vs 31 over walgen over de zonden.

Rein water.

Beeld van Christus' bloed.

Er komt in Jeruzalem ook een fontein tégen de zonde en de onreinheid.

Zacharia.13:1.



Vers 26

Hart van steen.

Hart van vlees.

Met een nieuw hart en een nieuwe geest mogen we Gods koninkrijk binnengaan.



Vers 27

God geeft en God eist.



Vers 28

Weer de vrouw van God

Israël komt tot bekering. Heel Israël wordt zalig. Romeinen 11:25-26

De relatie tussen God en Zijn volk is weer hersteld.

Lo-ammi wordt weer Ammi.

Hosea 1:12



Vers 29

Geen honger.

Om Israël te straffen gebruikte God steeds 3 "wapens"

  1. Honger
  2. Zwaard, oorlog
  3. Ziekte, pest.

In het vrederijk is dat er niet meer.

Er zal dan juist grote vruchtbaarheid zijn.



Vers 30

Grote oogsten.

Amos 9:11-15 daar gaat het ook over het vrederijk. Daar lees je over grote vruchtbaarheid.


De heidenen zullen niet meer zeggen dat God Zijn volk niet kan onderhouden.



Vers 31

Walgen.

In dit hoofdstuk lezen we eerst van wedergeboorte en bekering. Deze wedergebore gaat walgen van de vroegere zonden.

Een onwedergeborene walgt er niet van, net zo min als een varken walgt van modder. Maar..., zodra hij een schaap wordt, walgt hij wel van die onreinheid.



Vers 33

Terugkeer en herstel

Als Israël terugkeert naar Kanaän gaat God ook zegenen. Toen ze de afgoden dienden ttv Jeremia werden:

  1. Ze weggevoerd
  2. Hun steden verwoest
  3. Hun landerijen werden een woestenij

Nu belooft Ezechiël 36 precies het tegengestelde:

  1. Terugkeer
  2. Opbouw van steden
  3. Grote vruchtbare akkers.



Vers 35

Hof van Eden.

Het land Israël wordt weer prachtig, zoals eens de hof van Eden.

Het heilige Jeruzalem zal neerdalen bij het aardse Jeruzalem.



Vers 36

Gods hand wordt herkend

De volken zullen in alles wat er met Israël gebeurt Gods hand herkennen.

De Messias bouwt het land weer op.

Zacharia 13:5 aantekeningen.



Vers 38

Volle steden.

Zoals er op Gods feesten heel veel offerdieren in Jeruzalem waren, zo zullen de steden nu vol mensen zijn.

Het zal ieder duidelijk zijn, dat dit allemaal Gods werk is en dat Israël Gods volk is.



<