Hoofdstuk 21


Vers 2

Tegen de heiligdommen.

God heeft maar 1 heiligdom.

Ezechiël profeteert dus tegen heiligdommen van de afgoden.



Vers 3

De rechtvaardige en goddeloze uitroeien.

Het hele volk van Juda krijgt te maken met de wegvoering of komt om.

Onder de weggevoerde rechtvaardigen waren Daniël en zijn vrienden.

Ook Ezechiël.

Hoe kan God dit doen?

Enkelen worden gespaard.

Jeremia.

Baruch.

Ebed-Melech.

Waren er wel rechtvaardigen?



Vers 4

U.

= Israël. (vers 3)


Zwaard.

Dat zwaard is Nebukadnezar.

Van zuid tot noord.

Nebukadnezar komt dus ook nog in het noorden van Kanaän. De restanten van het 10-stammenrijk worden ook opgeruimd.



Vers 5

Alle vlees.

= iedereen.


Niet meer in terugkeren.

Er is nu geen genade meer. Het oordeel is onafwendbaar.



Vers 6

Aanschouwelijk onderwijs.

Ezechiël moet het gekerm uitbeelden. Hij is als een gebroken man.

Zo heeft ook God veel verdriet.

Gods naam is in diskrediet gebracht onder de volken.

Israël was immers Zijn volk.

Maar... God zal Zijn Naam heiligen. Hij brengt Israël terug. We zien dat vervuld worden sinds 1948.

In het "Onze Vader" bidden we of God Zijn naam wil heiligen.



Vers 7

Water langs de knieën.

Ze plassen in hun broek van angst.



Vers 9

Het zwaard is klaar om bloedbad aan te richten.



Vers 10

De roede van Mijn zoon.

De zoon is Israël. Het is Gods eerstgeborene.

De roede, de stok, waarmee God voorheen sloeg, helpt niet om Israël op het goede pad te krijgen. Daarom nu een scherp zwaard. Dat zwaard zal Nebukadnezar hanteren.

Dat zwaard is een vreselijke kastijding. Geen enkele andere kastijding helpt meer.

Wie niet luisteren wil, moet voelen. (De stok).

Wie niet voelen wil (de slagen van de stok), moet sterven door het zwaard.



Vers 14

Handen ineen.

Dat is een beeld van verschrikking.


Verdrievoudigd.

Babel zal Israël wel 3x een zware slag toebrengen.

Babel is het zwaard dat God gebruikt.

De laatste slag is de verwoesting van Jeruzalem.



Vers 17

Handen ineen slaan.



Vers 19

Aanschouwelijk onderwijs.

Tekening van een weg die zich splitst in 2 wegen:



Vers 20

Rabba, hoofdstad van Ammon.

Ammon had een bondgenootschap met Zedekia. Ammon was ook opstandig tegen Nebukadnezar.



Vers 21

3 manieren.

Nebukadnezar heeft 3 manieren om te voorspellen:

  1. Gemerkte pijlen in een koker doen en er "blind" een uittrekken.
  2. Voorouders vragen via voorouderbeeldjes.
  3. De lever van een dood schaap bekijken.



Vers 23

Israël zal de profetie NIET geloven. Zedekia zwoer toch trouw aan Nebukadnezar.

Maar hij (Nebukadnezar) zal aan de meineed denken en zal zeker komen.



Vers 25

Vorst = Zedekia.


Onheilig en goddeloos vorst.

  1. Wreed.
  2. Afgoden dienen.
  3. Meineed plegen.



Vers 26

Tulband en kroon weg.

Koninklijk priesterschap.

Tulband en kroon worden gegeven aan Jezus.

Hij is Silo = Hem die het toekomt. Hij, die er recht op heeft.

In Zacharia 6:12-13 lezen we over de beide ambten, koning en priester, verenigd in Jezus.



Vers 27

3x omgekeerd.

Er zal geen opvolger meer zijn voor Zedekia. De eerstvolgende Koning op Davids troon is Jezus.


Totdat Hij komt, die er recht op heeft.

De eerstvolgende opvolger zal Jezus zijn. Hij komt en Hij heeft er recht op.(=Silo)

Silo (Jezus) komt.



Vers 29

Een vals visoen zien.

Ook bij de Ammonieten waren valse profeten. Ze beloven veel goeds.



Vers 31

Brute mannen.

Dat zijn de Babyloniërs.



Vers 32

Men zal zich u niet meer herinneren.

De Ammonieten, nakomelingen van Lot, bestaan als volk niet meer.



<