Hoofdstuk 20


Vers 1

7e jaar.

Dat is het 7e jaar ná de wegvoering van Jojachin. Dus in 591 v C.

Dat was 2 jaar voordat de belegering van Jeruzalem begon.


Oudsten.

Ze willen weten hoe het afloopt met Jeruzalem.

In Ezechiel 14 kwamen er ook oudsten.

De "profeet" Hananja had gezegd dat het over 2 jaar gedaan zou zijn met de macht van Nebukadnezar. Hoe zit het nu?

De oudsten hebben geen echt berouw. Het is allemaal uiterlijk vertoon.



Vers 3

Ik laat Me door u niet raadplegen.

Ze hadden uit de mond van Jeremia Gods woord gehoord. Dat hadden ze verworpen. Nu geeft God geen antwoord op de vragen die reeds beantwoord zijn.

Dit lijkt op

De juiste instelling staat in

Zoek de HEERE met heel je hart, dan zul je zeker antwoord ontvangen.



Vers 4

Berechten.

Eigenlijk:

Misschien wilde Ezechiël iets "recht" praten.


4 belangrijke zonden.

  1. Gods wet negeren.
  2. Weigering om Gods verordeningen op te volgen.
  3. Sabbat ontheiligen.
  4. Afgoderij.

Die zonden houden automatisch een veroordeling in.



Vers 5

De dag waarop ik u verkoos.

God verkiest Israël, het huis van Jakob, als het volk nog in Egypte is. Hij belooft hen uit Egypte te leiden.

Hand opheffen.

= eed doen.

God wilde alles voor hen zijn.



Vers 6

Sierraad.

Gods land Israël is een sierraad.



Vers 7

Afschuwelijke afgoden.

In Egypte diende Israël dus ook afgoden.

God zei dat ze die afgoden vaarwel moesten zeggen.



Vers 8

Afgoderij in Egypte.



Vers 11

Die Gods geboden doet, zal daardoor leven.



Vers 12

Sabbat:

Die hen heiligt.

God zonderde hen af van de andere volken. Sabbat is een teken van die afzondering. Israël leefde afgezonderd om vrouw van God te zijn.

De wetgeving op Sinaï was het huwelijksverbond. Toen zei het volk ook "ja" tegen God.



Vers 13

Ongehoorzaam aan God.

De ongehoorzaamheid begon al toen Israël het gouden kalf maakte. Die ongehoorzaamheid bleef.

De rebellie waar hier naar wordt verwezen staat in

Gods grote toorn lezen we in

Mozes pleit voor het volk. God vernietigt het volk niet.

De sabbatten ontheiligd.

Ze dienden op de sabbatten hun afgoden. Zo ontheiligden ze Gods dag.



Vers 14

Niet uitgeroeid.

Israël bleef gespaard op voorbede van Mozes.

Dus echt niet om verdienste van Israël, maar wel omdat Gods Naam anders ontheiligd zou worden.



Vers 15

Mijn hand opgeheven.



Vers 17

Gespaard!

God had dit volk uitgekozen, en spaarde hen omdat

  1. Hij hen lief had.
  2. Hij de aartsvaders had gezworen.

Deuteronomium 7:8.



Vers 18

Hun kinderen.

Die waren jonger dan 20 jaren toen de HEERE zwoer dat het volk, ouder dan 20, in de woestijn zou sterven.



Vers 19

Ik ben..

Zelfde aanhef als de 10 geboden. Dit verwijst Israël opnieuw naar het (huwelijks)verbond dat God met Israël sloot bij Sinaï.



Vers 20

De sabbat als teken.



Vers 21

Mijn toorn over hen.



Vers 25

God liet toe dat er ook heidense inzettingen kwamen.


Die niet goed waren.

Hier staat een merkwaardige afwijking. Normaal staat hier een vrouwelijk woord en dat suggereert goede regels.

Nu staat hier een mannelijke meervoudsvorm. Dat suggereert slechte regels, vanuit de mens.



Vers 26

Hun eigen geschenken.

De Israëlieten gaven hun kinderen als offers aan de afgoden.


Mensenoffers.

Vaak offerde men een eerstgeborene.

Voor eerstgeborene zijn 2 woorden.

  1. Een eerstgeborene van een vrouw.
  2. Een eerstgeborene van een man.

Als een man meer vrouwen had, waren er ook meer eerstgeborenen. In deze tekst gaat het om de eerstgeborene van een vrouw.



Vers 27

Trouwbreuk.

Israël was Gods vrouw.

Al heel snel ging Israël vreemd met de afgoden. Bij Sinaï maakten ze al een gouden kalf.

Dat is trouwbreuk.

God zelf breekt Zijn verbond met Israël nooit.



Vers 28

Hand opheffen.

= eed zweren.


Afgodendienst.

Israël had verzuimd om de heidense volken uit te roeien.

Nu volgden ze de heidense afgoden. Dat komt hen duur te staan.



Vers 29

Hoogte.

In Ezechiel 16:31 bouwen ze "verhogingen", bordelen.

Dat wordt hier ook bedoeld. Hun afgodische hoogten zijn plaatsen van tempelprostitutie, afgodische heiligdommen.

Vaak waren dat de hoogten die oorspronkelijk voor de HEERE bestemd waren. Vandaar "H", Hoogte.

Maar...Israël mocht geen hoogten hebben, ook niet voor de HEERE.

Er was maar 1 offerplaats toegestaan en dat was het heiligdom.



Vers 31

Kinderoffers.

Aan Moloch, de afgod van Ammon.



Vers 32

Hout en steen dienen.

Voor "dienen" gebruikt Ezechiël hier een woord dat hoort bij God dienen. Er bestaat ook een woord voor afgoden dienen.

Waarschijnlijk wilde Israël door beelden en afgodische rituelen toch God dienen. Zo probeerde Jerobeam dat met de gouden kalveren.

Het was een zelfbedachte godsdienst.



Vers 33

Vertaling VdW.

De machtige hand staat de gelovigen bij.

De wraak zal de ongelovigen en de vijanden van Israël treffen.


Het oordeel begint.

Bij vers 33 begint de beschrijving van Gods bijstand aan gelovigen en Gods oordeel over de ongelovigen en vijanden.

Volgens de verzen 40 en 41 gaat het hier over de eindtijd. Gelovigen gaan het vrederijk binnen, maar ongelovigen NIET.



Vers 34

Bijeenbrengen.

Dat is gebeurd toen koning Kores de Joden liet terugkeren naar Jeruzalem.

Zerubbabel en Jozua.

Ezra en Nehemia.


God haalt de Joden ook nu weer naar Israël.

We zien met eigen ogen hoe God dit aan het vervullen is.

Waakt!

Verwacht Hem!



Vers 35

Brengen in de woestijn.

In de grote verdrukking vlucht het gelovige Israël naar de woestijn.



Vers 36

Met uw vaderen.

God bepaalde toen dat ieder die 20 jaar of ouder was NIET naar Kanaän mocht.

Zo zal God opnieuw rechtspreken. Alleen gelovigen mogen het vrederijk binnen.



Vers 37

Onder de herdersstok doorgaan.

De schapen werd geteld. Elke 10e was voor God.

Zo zal God opnieuw scheiding maken tussen gelovigen en ongelovigen.


Band van het verbond.

God maakt Israël weer tot "Zijn volk"=Ammi.

Zijn nieuwe verbond gaat functioneren. Allen zullen ze de HEERE kennen.



Vers 38

Ongelovige Joden zijn wel vertrokken uit het land van hun vreemdelingschap, maar in het vrederijk zullen ze NIET komen.



Vers 40

Héél het huis van Israël.

Dan gaat het hier over 12 stammen. Dat wijst naar de eindtijd. Dan zullen alle stammen weer terugkeren naar Gods land.


Op Mijn heilige berg.

Volgorde.

We lezen hier eerst van bekering. Pas in vers 43 lezen we over "walgen over de zonden".

Dat klopt met:



Vers 41

Geheiligd worden.

= geëerd worden.

Ezechiel 28:25

Ezechiel 39:27

Ezechiel 36:23-24



Vers 42

Hand opheffen

=eed zweren



Vers 44

Psalm 103:12



Vers 46

Zuiderland.

Het gaat waarschijnlijk over Egypte.

In Daniel 11:5-6 gaat het ook over de koning van het zuiden.



Vers 47

Jonge boom en dorre boom.

Het woord dat vertaald is met "boom" betekent eigenlijk "hout".

Dus: groen hout en dor hout.


Gezichten.

Dat kan ook vertaald worden met " oppervlak".

Dus: van zuid tot noord wordt het oppervlak verzengd.


Vuur vh oordeel.



Vers 48

God zelf strijdt tegen Juda.



Vers 49

Ze zeggen dus dat ze niet snappen wat Ezechiël met al die gelijkenissen bedoelt.



<