Hoofdstuk 16


Vers 1

Een gelijkenis.

Het doel staat in vers 2.



Vers 2

Jeruzalem.

Deze vrouw is Jeruzalem. Ze wil de vrouw van God niet meer zijn. Ze wil later ook Jezus niet als Messias.

Jezus roept: Vader vergeef het hun.

Jezus komt straks op de Olijfberg. Dan komt het Nieuwe Jeruzalem mee. Het oude Jeruzalem ziet de heerlijkheid van het nieuwe Jeruzalem.


Jozef als type van Jezus.

Jozef:

Salomo had ook een heidense vrouw uit Egypte. 1 Koningen 7:8 zegt dat alleen deze vrouw een vertrek had in het paleis van Salomo.

Zo is de gemeente heel anders dan Israël.

Voordat het herstel van Israël er is, zal de bruiloft van het Lam al geweest zijn.



Vers 3

Uw oorsprong en geboorte.

Alles wat Israël doet is van oorsprong heidens.

Volgens Genesis 10:15-16 stammen Hethieten en Amorieten af van Kanaän, dus van Cham.

Abrahams vader was geen Amoriet, want Abraham stamt af van Sem. Mogelijk was de moeder van Abraham een Hethietische.

De Amorieten waren het meest zondige volk onder de heidenvolken.

Ezau had Hethietische vrouwen. Zijn ouders vonden dat vreselijk.


Ouders van Jeruzalem.

Volgens Genesis 10:15-16 zijn dat afstammelingen van Cham.

David veroverde Jeruzalem op de Jebusieten, ook afstammelingen van Kanaän, dus van Cham.

Arauna, de Jebusiet, verkocht de tempelberg aan David.

Ook Hethieten woonden er. Denk aan Uria de Hethiet.

De Amorieten hoorden ook bij de volken waartegen Jozua streed.


Kanaäniet.

Overal in Ezechiël wordt dit woord vertaald met "koopman".

Ook op veel andere plaatsen in de bijbel.

Ur was ook een gebied van kooplui.

Daarom kunnen we ook hier beter vertalen:

VdW: uw voorgeslacht en uw afkomst liggen in het land van de kooplieden.



Vers 4

Ongewenst kind.

Deze baby krijgt niet de traditionele verzorging. Ze wordt te vondeling gelegd.

Een kind werd wel in doeken gewonden als de vader het als zijn kind accepteerde.

Zo gebeurde het ook bij Jezus.



Vers 6

Toen Ik voorbij kwam.

God zag Israël in ellendige toestand.

God ontfermt zich.

Het wordt Gods volk, Gods vrouw.



Vers 7

Naakt.

Ontoereikend gekleed.



Vers 8

Israël in Egypte.

In vers 8 gaat de profetie naar het verdrukte Israël. Gods liefde voor dit volk laat Hij zien.

Mijn vleugel.

Verbond.

Huwelijksverbond bij Sinaï.

Israël stemde van harte hiermee in.



Vers 9

Bloed.

Volgens de wet is de baby onrein, bebloed.

Nu ze volwassen is geworden, wordt de onreinheid weggedaan.

Bij het huwelijksverbond, gesloten bij de Sinaï, kreeg het volk de huwelijksakte, de wet. Nu werd Israël gereinigd van heidense smetten.

Nu gaat Israël wonen in het beloofde land.



Vers 10

God zegent Zijn bruid.

Hosea 2:1

Hosea 2:18

Jesaja 50:1

Jeremia 31:32

In Daniel 11:16 heet Israël ook "sierraadland ".



Vers 15

Hoererij.

Na Salomo is er afval van God. Afgoden worden gediend. Hoererij noemt God dat.

Israël misbruikt de rijkdommen. Ze zoekt toenadering tot buurlanden.

Heidense prinsessen brengen afgoden mee.

1 Koningen 11:1-13.



Vers 16

Kleurrijk.

Gekleurde kleedjes, net als rode lampen bij de hoeren.



Vers 17

De rijkdom die God gaf werd aan afgoden besteed.

In en bij de afgodstempel werd tempelprostitutie bedreven.



Vers 18

Mijn olie, Mijn reukwerk.

Schaamteloos wordt God bestolen. Wat God in liefde gaf, gaat naar afgoden.



Vers 20

Mensenoffers.

God had het verboden.

Leviticus 18:21.

Deuteronomium 12:30-32.

Het gebeurde bv onder koning Hosea.

2 Koningen 17:17.

Koning Achaz offerde een zoon .

2 Koningen 16:3.

2 Koningen 21:6.


Het dal Ben-Hinnom (Tofeth) is de beruchtste offerplaats.

Jeremia 19:6.



Vers 21

Mensenoffers.

2 Koningen 17:17 (Koning Hosea)

2 Koningen 16:3 (Achaz deed dat als eerste)

2 Koningen 21:6 Manasse



Vers 22

Niet teruggedacht.

Israël vergat de 1e liefde, de liefde tot God.



Vers 23

Wee

Dit is de druppel die de emmer laat overlopen.



Vers 24

Verhoging maken

Overal kwamen bordelen.

Overal afgodstempels.



Vers 26

Zwaargeschapen.

In Ezechiel 23:20 wordt verwezen naar mnl geslachtsorganen.

Het kan ook zien op de persoon zelf. Volgegeten, oververzadigd.



Vers 27

God straft met honger.


Filistijnen.

Die schaamden zich nog voor het goddeloze gedrag van Israël.



Vers 32

Haar eigen man.

Dat is God.


Vreemde mannen.

Dat zijn de afgoden.



Vers 33

Israël betaalt.

Israël koopt hulp van heidense volken en geeft grote geschenken aan hun afgoden.


Uw geschenk.

Eigenlijk waren het de huwelijksgeschenken die God hen had gegeven. Nu worden ze verkwanseld.



Vers 34

Uitzondering.

Israël gedraagt zich uitzonderlijk. Ze gaat de afgoden bij andere volken halen. Hoe meer, hoe beter. Israël betaalde er zelfs voor. Zo deed geen enkel ander volk.



Vers 35

Nu volgt Gods vonnis.



Vers 37

Aanval.

Alle heidenvolken, waarvan Israël afgoden had overgenomen, zullen Israël aanvallen. Vriend en vijand keert zich tegen Israël.

Israël wordt door God niet meer beschermd.



Vers 38

Bepalingen in de wet

Steniging was de straf voor overspeligen.



Vers 40

Een menigte.

Dat zijn de vroegere minnaars Assyrië en Babel.

Assyrië voert het 10-stammenrijk weg.

Babel voert het 2-stammenrijk weg.



Vers 41

Voor de ogen van veel vrouwen.

Jonge vrouwen blijven gespaard om slavin te zijn.

Voor hun ogen wordt dit vreselijke gericht voltrokken.



Vers 44

Zo moeder, zo dochter.

Moeder was een Hethietische.

De Hethieten waren ook mensen die God niet dienden en dit volk ging ten onder.

Zo ook haar dochter Israël.



Vers 45

Drie goddeloze zusters.

Volgens vers 46 is:



Vers 46

Oudste.

Is dat omdat het 10-stammenrijk de naam Israël voortzet?


Jonger.

Het kan ook vertaald worden met "kleiner".



Vers 49

Hier staan de zonden van Sodom.


Sodom en haar dochters.



Vers 50

Gruweldaad

Ze wilden zich vergrijpen aan de twee engelen.

Judas 1:7



Vers 51

Juda is de meest zondige.

Samaria en Sodom lijken bijna rechtvaardig als we dat vergelijken met Juda.

De zonden van Juda worden beschreven in



Vers 53

Heilsbeloften.

Deze woorden moeten zien op het nationale herstel. Ook de verloren 10stammen zullen dan terugkeren naar het land Israël.

Ook Sodoms gebied zal herleven door het levende water van de tempelrivier.



Vers 54

Wanneer u hen troost

Ze zullen inzien dat dezelfde zonden ook dezelfde straffen zullen krijgen.



Vers 55

Sodom.

Alle mensen in Sodom kwamen om. Sodom staat hier waarschijnlijk voor heidendom. Aan hen wordt ook het evangelie verkondigd. Zo kunnen ze terugkeren tot God.



Vers 56

Juda heeft helemaal niet gedacht aan het lot dat Sodom trof voor hun zonden.


NBV.

Was jij het niet die in je hoogmoed steeds kwaad sprak over je zuster Sodom?


Vervulde profetie.



Vers 57

Rondom haar

Landen rondom Juda.


De strafexpedities van Assyrië troffen Syrië en de Filistijnen.



Vers 59

Juda was de huwelijkseed ontrouw en verbrak het huwelijksverbond dat bij Sinaï was gesloten.



Vers 60

God straft, maar blijft trouw.

God blijft wél trouw aan Zijn verbond met Israël.

God gaat een nieuw verbond oprichten.

Dit wordt een eenzijdig verbond, niet meer afhankelijkelijk van de willekeur van mensen.



Vers 61

Uw zusters.

Beschaamd.

Hier gaat het over verootmoediging. Een bekeerd volk kijkt verdrietig terug.


Verbond.

Niet op grond van het oude verbond. Dit gebeurt op grond van het nieuwe verbond.



Vers 62

Mijn verbond.

Hét nieuwe verbond.



Vers 63

Ik doe voor u verzoening.

God zelf zorgt, door het offer van Jezus, voor verzoening voor Zijn volk.

Dat kan door het nieuwe verbond. Dat is een eenzijdig verbond.



<