Hoofdstuk 14


Vers 1

Er kwamen oudsten.

De oudsten kwamen raad vragen.

Het is NIET duidelijk of deze mensen uit Jeruzalem komen, of dat ze ballingen in Babel zijn.

In Jeruzalem was Jeremia nog. Wilden ze misschien een second opinion?


2 gezantschappen.

Mogelijk is een van deze gezantschappen op bezoek bij Ezechiël.



Vers 4

Ik zal Zelf antwoord geven.

De HEERE zal niets zeggen wat de oudsten graag willen horen. Hij zal hen spreken over hun afgoden en over de straf die ze kunnen verwachten.


Iedere man.

Letterlijk: een ieder, ja een ieder.

Er ligt dus nadruk op.



Vers 6

Dit is ook Gods boodschap voor ons.



Vers 8

Een teken

Gods stelt door Zijn straf een duidelijk voorbeeld voor andere afgodendienaars.



Vers 9

De valse profeet laat zich overhalen om te spreken. Hij spreekt wat de vragers graag willen horen.

Ze praten Achab naar de mond.



Vers 10

Ongerechtigheid dragen.

Hier betekent het: de straf dragen.

Zowel de vrager als de geraadpleegde valse profeet.



Vers 11

Gods doel.

Weer een goede huwelijksrelatie met Israël.



Vers 12

4 straffen



Vers 13

Trouwbreuk.

Israël is de vrouw van God.

Bij Sinaï werd het huwelijksverbond gesloten.

Israël, Gods vrouw, werd ontrouw aan God door afgoden te dienen. Hoererij noemt God dat.



Vers 14

3 oprechte vrienden van God.

Nu zou zelfs de voorbede van deze oprechte, vrome, godvrezende mensen niet helpen.



Vers 18

Die drie mannen.

  1. Noach.
  2. Daniël.
  3. Job.



Vers 20

Hun eigen leven redden.

God laat de rechtvaardigen niet omkomen met de goddelozen.



Vers 22

Ontkomenen.

Er zullen in Jeruzalem nog mensen overblijven. Maar... zij zullen naar Babel gebracht worden. Dan zullen de ballingen die reeds in Babel zijn zien dat Gods straf terecht was. Dat is wel een bittere troost.



Vers 23

Troost.

De troost is wel een erg bittere troost.



<