Hoofdstuk 13


Vers 1

Opmerkelijk.

In dit hoofdstuk komt wel 7x voor: Mijn volk.

Helaas ging deze relatie kapot door afval van Israël.

Toen werd Israël:

Lo-Ammi (niet Mijn volk)



Vers 2

Valse profeten.

Ook in Babel zijn er valse profeten onder de Joden.

Er is geen bekering ná alle ellende.

De profeten doen alsof ze spreken namens God, maar het zijn valse profeten.

Ze spreken naar eigen inzicht.



Vers 3

Hun eigen geest.

De eigen geest is niet vernieuwd door de Heilige Geest. De boze heeft er invloed op.


Zonder iets te hebben gezien.

Deze valse profeten kregen dus geen visioen van God te zien.



Vers 4

Vossen.

Letterlijk:

Jakhalzen zijn aaseters. Zo ook zijn deze valse profeten, ze vernietigen het laatste wat nog van de theocratie over is.

Ze zijn sluw, ze maken dat ze wegkomen als er iets op hun pad komt.



Vers 5

Verwijt.

De valse profeten hadden het volk geestelijk moeten beschermen, in de bres moeten staan, of een muur moeten zijn.

Ze hadden het volk tot God moeten terugbrengen.



Vers 6

Ze verwachten dat hun profetie uitkomt.

Deze valse profeten hebben dus echt iets gezien, maar dat was geen visioen van God.

Dan moet het wel iets occults geweest zijn.



Vers 9

Een drievoudige straf.

De tekst noemt 3 straffen voor de valse profeten.


Register.

Register van Joden.

De herinnering van deze valse profeten zal verdwijnen. Zij worden geschrapt.

Kring.

In Job 19:19 ziet dit woord op een groep intieme vrienden.

Het gaat over een groep met sterke banden.

Het gaat over gelovigen.


Komen niet in het land van Israël.

De valse profeten waren er al vóór de verwoesting van Jeruzalem. Bij de terugkeer uit Babel leefde er niet één meer.

Deze tekst kan ook nog verder vooruit zien. In het vrederijk zal geen valse profeet komen.



Vers 10

Vrede.

Het Hebreeuwse woord: sjaloom.

Sjaloom houdt meer in dan alleen vrede.


Bepleisteren met kalk.

Zo wil men alles camoufleren wat niet deugt, bv. de scheuren in de relatie met God.



Vers 11

Zeg tegen hen.

"Hen" zijn de valse profeten.



Vers 17

Dochters.

Dit zijn valse profetessen. Ze houden zich nog steeds met occulte dingen bezig.



Vers 18

Alle polsen.

Letterlijk:

Toverbanden.

Misschien gaat het over magische voorwerpen die aan de armen werden gebonden.


Sluiers.



Vers 19

Wilt u mij ontheiligen...

U = de valse profetessen.

Door hun toverij stierven onschuldigen en bleven schuldigen (zijzelf) juist in leven.


De betaling.

Er was hongersnood. Deze valse profetessen laten zich betalen met voedsel.

Zielen doden die niet hoeven te sterven.

De hongerende bevolking betaalt deze profetessen met voedsel, dat ze zelf niet kunnen missen.


Zielen in leven houden.

Dat zijn de valse profetessen zelf. Zij blijven leven, maar volgens de wet van God, mochten zulke occultisten niet blijven leven.



Vers 21

Sluiers.

Volgens vers 18 maakten die valse profetessen deze sluiers.

In het volgende vers staat het werk van die vrouwen.



Vers 22

Werk van de valse profetessen.

  1. Rechtvaardigen bedroefd maken met hun leugenprofetie.
  2. Goddelozen juist steunen en niet corrigeren.



<