Hoofdstuk 8


Vers 1

De Chaldeeën zullen zelfs de doden niet met rust laten.

Die opgegravenen dienden de afgoden, zon, maan en sterren.



Vers 3

Vreselijke tijd.



Vers 4

Dit zijn voorbeelden uit het leven.



Vers 6

Ze gaan maar dóór in de zonde en hebben géén oog voor het gevaar dat komt.



Vers 7

Trekvogels

De trekvogels trekken volgens Gods wetten. Maar... dit volk negeert wat God vraagt.



Vers 8

Leugenpen

De schriftgeleerden leggen de Thora uit, maar passen de uitleg zoveel mogelijk aan aan eigen opvattingen.

Zij hechtten zoveel waarde aan hun eigen woorden, dat ze die gelijkstelden aan Gods woord.



Vers 9

De wijzen

=schriftgeleerden.



Vers 11

Genezen de breuk

Ze maken het volk wijs dat er geen gevaar is. Gods profeten zeggen het wel anders. Er is geen vrede.



Vers 14

Daar zwijgen

Tot zwijgen gebracht worden. Ze erkennen dat God rechtvaardig is, maar nu is het te laat. Zo ziet de profeet het in de toekomst gebeuren.



Vers 16

Zijn paarden

=Van Nebukadnezar.



Vers 17

Gifslangen zijn vijanden.



Vers 19

De profeet ziet het volk al in Babel. Het volk klaagt over God. Waarom is Hij niet bij ons.



Vers 20

Het volk hoopt vergeefs op verlossing door Egypte.



Vers 22

Balsem.

Hars van de mastikboom.

Er is niets dat het leed van Jeremia kan verzachten.

Hij is gebroken.

Het volk is niet beter geworden.



<