Hoofdstuk 44


Vers 1

Er waren dus meerdere Joodse nederzettingen.

Nof.

=Memfis.


Pathros.

=Opper-Egypte (zuiden).



Vers 7

De Joden in Egypte waren net zo erg als de Joden uit Kanaän. Net zo erg als hun voorgeslacht.



Vers 8

Gered uit de hand van Nebukadnezar, maar ze hebben zich NIET bekeerd.



Vers 11

Heel Juda

Dat betreft nu ook het overblijfsel in Egypte.



Vers 15

Er was waarschijnlijk een groot afgodisch feest.



Vers 17

Koningin vd hemel

=Semiramis, vrouw van Nimrod, moeder van Thammuz.

=Astarte, de vrouw van Baäl.



Vers 18

Van toen af

Dat was ttv Josia. Toen moesten de afgoden weg.



Vers 19

Koningin vd hemel werd vereerd als godin-moeder vd Verlosser (=Thammuz) Deze Thammuz zou het beloofde zaad zijn uit Genesis 3:15.



Vers 26

Zwaarste straf

Gods naam=Gods wezen

Gods naam zal niet meer over hun lippen komen.

Er volgt een vreselijk einde.

Er zullen er maar weinig overblijven.



Vers 29

Het teken

Het staat in Jeremia 44:30.



Vers 30

Farao Hofra

= farao Apriës . Hij zal de veldslag tegen Nebukadnezar verliezen.



<