Hoofdstuk 34


Vers 1

588 of eind 589 v C.



Vers 3

Jeremia 32:4



Vers 5

Vuren branden.

Koninklijke eerbewijzen door reukwerk te branden bij de begrafenis.

De Joden zeggen dat de rouwklacht zo was: "Helaas, Zedekia is dood, die de droesem van alle eeuwen heeft gedronken". D.i. die gestraft is voor de zonden van de vorige eeuwen.



Vers 8

Verbond

Een verbond werd "gesneden", er vloeide bloed. Dat was de garantie voor de geldigheid.

Men liep tussen de stukken van het gedode kalf door.

Men besloot om de Joodse slaven vrij te laten.

Men sloot dat verbond in de tempel.

God vindt verbondsbreuk heel erg.

Zedekia brak ook de eed en het verbond met Nebukadnezar. Ezechiël zegt dat dit hetzelfde is als "Gods verbond" verbreken.

Vrijlating.

De wet van Mozes schreef voor dat na zes jaar dienst een joodse slaaf vrijgelaten moest worden.

Men wist dat gebod wel, maar men deed het niet.

Een Jood mocht geen slaaf zijn, maar wel dagloner.

Joodse mensen zijn Góds slaven.



Vers 11

Verbondsbreuk.

De vorsten e.a. breken het verbond.

Jeremia zegt verderop dat het volk daardoor Gods naam ontheiligde.



Vers 14

De wet over Hebreeuwse slaven.



Vers 17

Gods straffen.



Vers 21

Chaldeeën trekken even weg.

Het leger komt en daarom trekken de Babyloniërs bij Jeruzalem weg.

Jeremia voorzegt dat het leger van Babel spoedig terug zal komen.



<