Hoofdstuk 32


Vers 1

Het 10e jaar van Zedekia.

Ongeveer begin 588 v C.

Nebukadnezar belegering reeds Jeruzalem.



Vers 2

Jeremia zit opgesloten.

Wel is Jeremia gevangen, maar Gods woord is NIET gebonden.

Op het binnenplein.

Jeremia wilde via de Benjaminpoort de stad uit.

Hij wordt gearresteerd en komt dan in een vreselijke gevangenis. Hij smeekt Zedekia om daarheen niet terug te moeten gaan. Hij mag naar het binnenplein van de wacht.



Vers 3

Hier staat de reden van de hechtenis.

Zedekia wil niet dat het volk de moed verliest door de profetie van Jeremia.



Vers 5

Strijd.

De belegering begon in het 9e jaar van Zedekia. Werd kort onderbroken toen een Egyptisch leger naderde, maar wordt nu weer voortgezet.



Vers 7

Verkopen?

Volgens Leviticus 25:34 mocht dit priesterbezit NIET verkocht worden. Misschien mocht het niet verkocht worden buiten het priestergeslacht.



Vers 9

Dus kocht ik

Jeremia beseft dat dit de wil van God is.


Sikkel.

Een sikkel is 10 tot 13 gram.



Vers 11

2 brieven.

De verzegelde brief was voor de koper Jeremia.

De open brief werd aan de rechters getoond om bekrachtigd te worden.



Vers 12

Baruch

Jeremia 36:1-5

Baruch is al vanaf het 4e jaar van Jojakim in gezelschap van Jeremia.



Vers 25

HEERE, dit alles betekent dus dat ik de akker in Anathoth nooit echt zal bezitten!



Vers 34

Goddeloze Manasse.

Hij plaatste zelfs afgodsbeelden in de tempel van God.



Vers 35



Vers 37

Toch redding.

Na het blootleggen van alle schuld, belooft God nu ook redding.


Eindtijdprofetie.

Door ongeloof van de Joden en door het verwerpen van de Messias schuift de vervulling van deze profetie naar de eindtijd.



Vers 38

Israël is weer Gods volk.

Jeremia plaatst dit in de eindtijd. Het komt weer goed tussen God en Israël.



Vers 40

Eeuwig verbond.

Het nieuwe verbond is 1-zijdig. God doet alles. Het is een eeuwig verbond.



Vers 41

Hart en ziel

Waarschijnlijk is dit de enige tekst waarin gesproken wordt over Gods hart en Gods ziel.

God is er heel blij over wat Hij eenmaal gaat doen.


In dit land planten.

God zet Israël is Zijn land.

Ze zullen niet meer uit Gods land weggaan.



Vers 44

Zichtbare prediking.

De koop van de akker door Jeremia is dus een zichtbare prediking.

Het is vervuld na de ballingschap. Het is opnieuw vervuld na 1917. De Joden kochten hun plek in Israël.

In 1948 ontstond de staat Israël.

Gods land voor Gods volk.



<