Vs 1-7 Het ware Israël vrijgekocht.
Israël is nu nog niet vrijgekocht. Dat is nog toekomst. Veel joden zijn nu nog ongelovig.
Jesaja spreekt in "perfectum Propheticum" , vanuit verre toekomst ziet hij terug.
Bij uw naam geroepen.
"Ik riep u bij uw naam". God zal Israël roepen om terug te keren naar Kanaän. Ze zijn Lo-Ammi, = Mijn volk niet.
Ze worden weer Ammi = Mijn volk.
Dan zijn ze weer van Hem, persoonlijk eigendom.
God wil Zijn ontrouwe vrouw altijd weer terug. Hij blijft trouw.
Gods bewaring.
Hier wordt een terugkeer van Israël beschreven. God zal de terugkerenden overal bewaren. Na de grote verdrukking is overal de infrastructuur vernield. God is hun Redder.
Cusj en Seba.
Cusj = Nubië / Ethiopië.
Seba =? Seba was zoon van Cusj.
Egypte zal dienstbaar worden aan Israël.
VdW:
In uw plaats.
Volgens G.A.van de Weerd moet dit anders vertaald worden.
VdW:
In het Messiaanse rijk gaan de verhoudingen op z'n kop. Israël wordt, onder de Messias, het belangrijkste volk.
Micha beschrijft Israël als een leeuw tussen schapen.
God brengt Zijn volk bijeen.
God bemoeit zich persoonlijk met de terugkeer van Israël.
God brengt een nog ongelovig volk bijeen.
Dit volk is nog blind en doof als God het in Zijn land bijeen gaat brengen.
Een nationaal herstel van Israël gaat vooraf aan het geestelijke herstel.
Dat lezen we ook in Ezechiel 36.
Eerst een nationaal herstel.
Daarna een geestelijk herstel.
Het nationale herstel gaat in fasen.
De Geest verschijnt later.
Volk dat blind en doof is.
Het gaat over de verloren 10 stammen, over de ongelovige Joden. Ze zijn nog blind en doof. Ook zij komen terug en zullen gaan geloven.
Uittrekken.
De Joden trekken weg uit de landen waar ze wonen en gaan naar het land Israël.
Vs 9-15 Israël uitverkoren.
Volken moeten zich verzamelen.
HSV: verzamelen.
Dit is "wegnemen" , zoals "verzamelen tot de vaderen ".
VdW:
Hier wordt de ondergang van de vijanden beschreven, zoals staat in
De profeten van God voorzegden het.
God wil dat de heidenvolken "getuigen" = afgevaardigden sturen om te erkennen dat Gods woord waarheid is.
Een god formeren.
Onze God is van eeuwigheid. Hij is nooit geformeerd, gemaakt.
Als er een god geformeerd wordt, is dat een afgod.
U bent Mijn getuigen.
De getuigen = Israël.
Mijn dienaar die Ik verkozen heb, opdat u weet...
"u" = heidenvolken.
Grammaticaal en contextueel wijst "u" op de getuigen uit de heidenvolken.
Vóór Mij is er geen God.
VdW:
Ik, Ik ben de HEERE.
VdW:
Geen vreemde god??
Het gaat over "een vreemde voor God", dus een heiden.
VdW:
Onder Israël is nu geen "heiden" over, dus geen enkele voor wie God een vreemde is.
Als het vrederijk aanbreekt zijn alle (af)goden weg: satan, antichrist, valse profeet, Gog.
Voor de dag er was...
Al sinds de eerste dag is God dezelfde. Dat is een belangrijke eigenschap van God. God verandert nooit. Ook Zijn macht is onveranderlijk.
Wie keert het vrederijk af? Niemand.
Iemand naar Babel gezonden.
Vs 13 spreekt over Gods hand. Die hand van God wordt hier in vs 14 naar Babel uitgestrekt. Babylon is het rijk van de antichrist.
God toont Zijn grote macht. God doet dat "ter wille van u" , dus in belang van de uitverkorenen.
Afdalen in de schepen.
"Schepen" past niet in context. Chaldeeën zijn ook geen zeevaarders.
We kunnen dus lezen:
Chaldeeën hielden zich met het occultisme bezig.
Een weg in de zee.
Eerst is er een verwijzing naar God macht. Die is niet veranderd.
Iets nieuws.
Vs 16-21 God gaat iets nieuws doen. (Vs 19)
In verleden riep God mensen op om Hem te gehoorzamen. In het vrederijk is dat geen vrije keus meer, maar een eis.
Denk niet aan de dingen van vroeger.
Overal in de Bijbel wordt opgeroepen om Gods grote daden tijdens de uittocht te gedenken. (Bv viering van Pascha)
Dat kan hier dus niet bedoeld zijn.
Jesaja bedoelt: denk niet terug aan de ellende van de grote verdrukking. Dat zijn de dingen van vroeger.
Dingen van het verleden.
Het woord dat HSV vertaalt met "verleden" betekent meestal "het oosten". Dat past hier beter.
VdW:
Israël moet niet meer terugdenken aan de afgoderij van Babylon, maar op God letten(vs 19).
Ik zal een weg ...maken.
Aph = zelfs.
Dit woord ontbreekt in HSV.
VdW:
Bedoeld is de "heilige weg" van Petra naar Jeruzalem.
Rivieren in de wildernis.
De rivieren zijn de 2 takken van de tempelrivier. Die heeft levenwekkend water.
Eindtijd.
Deze tekst laat duidelijk zien dat het in dit tekstgedeelte gaat over de eindtijd.
De dieren van het veld.
Grondtekst spreekt over "draken en gulzige wezens, dochters van de gulzigheid."
VdW:
Ook dat laatste is iets nieuws op aarde.
Satan en de demonen verdwijnen van de aarde als het vrederijk begint.
Rivieren in de wildernis.
Dit zijn de twee uitlopers van de tempelrivier.
De ene stroomt naar de Dode Zee en de andere naar de Middellandse zee.
Ook deze profeten plaatsen deze tempelrivieren in de eindtijd.
Dat doet Johannes ook.
Zij zullen Mijn lof vertellen.
Dit was het doel dat God met Israël had. Israël leefde niet tot Gods eer, maar dat veranderde Gods doel niet.
Vs 22-28 Jakob, het ongelovige deel van Israël mag zich verdedigen, maar kan niet. Vs 28 eindigt dan ook met veroordeling.(ban)
U hebt zich tégen Mij vermoeid.
HSV leest 22b negatief . Dat staat zo niet in de grondtekst.
Er staat:
Dus: Jakob, ongelovige deel van Israël, riep God niet aan, maar Israël (=gelovige deel van Israël) deed dat wel.
Omwille van Mijzelf.
2 Eigenschappen van God, nl. gerechtigheid en barmhartigheid, blokkeerden elkaar. Jezus voldeed aan de eisende gerechtigheid. Daarna kon God de zondaren vergeven en barmhartig zijn. God zelf heeft voor de oplossing van het zondenprobleem gezorgd.
Uw eerste vader.
Adam.
Uitleggers van de wet.
Dat zijn de priesters.
Ook zij zelf gingen niet in Gods weg.
Beschimpingen.
VdW splitst het woord in de grondtekst. Dan staat er het niet "beschimpingen" , maar "voorspoed en overvloed".
Zo ontstaat opnieuw een tegenstelling tussen Jakob (ongelovig) en Israël (gelovig)
VdW :