Trotse kroon.
=Samaria.
Dronkaards.
=regeerders in Samaria. Zij vormen "Het hoofd".
VdW:
een bloem van verwelkende schoonheid is zijn glorie. Zij (de regering) die aan het hoofd staan van een vallei van overvloed (vlakte van Jizreël), zijn geveld door de wijn.
De HEERE heeft iemand.
Iemand = Assyrië.
Die vijand zal Efraïm, het 10-stammenrijk, ter aarde werpen.
Kroon en dronkaards.
Zie vers 1.
Een vroege vijg.
Efraïm = een rijpe vijg.
Iemand = Assyrië.
Assyrië eet de rijpe vrucht snel op, net als iemand die al heel lang heeft uitgekeken naar de eerste rijpe vijg.
Op die dag.
Deze uitdrukking wijst meestal naar de eindtijd.
vs 5+6 gaan over het vrederijk.
Ze zwalken van wijn.
Dit zijn nog steeds de dronken leiders van het 10-stammenrijk.
Profeten, priesters en rechters worden genoemd.
Pas in vs 14 keert de profeet zich tegen Jeruzalem.
Wie kan Hij kennis bijbrengen?
Kennis van wie God is, wie weet het nog? Niemand weet het meer in Efraïm en Juda. Peuters zijn de enigen die God nog iets kan bijbrengen.
Gebod op gebod.
Met een regelmaat wordt er weer een nieuwe wet uitgevaardigd. Verwarring ten top.
Regel op regel.
Qav
Dus: meetlint op meetlint.
Steeds veranderen de wetten die de maateenheden vastleggen.
Dus, de voorschriften volgen elkaar snel op, standaardlengtematen veranderen voortdurend, ze worden steeds korter.
Belachelijke klanken
God laat Israël Assyrische woorden horen uit de mond van hun vijanden. De Assyriërs bespotten de Joden die eens op hen hun vertrouwen hadden gesteld.
De Joden waren ongelovig en haalden zo Gods oordeel over zich.
Deze tekst wordt aangehaald door Paulus om aan te tonen dat tongentaal op ongelovigen is gericht.
Tegen wie (Hij) zei
"Hij" ontbreekt in de grondtekst.
VdW:
Spottende taal. Die vredige plaatsen zijn waarschijnlijk vergaderplaatsen voor de wegvoering van het volk. Of het gaat om nieuwe woongebieden voor de gedeporteerden.
Het woord van de HEERE.
Overeenkomstig Gods woord klinken, bij wijze van straf, onverstaanbare spottende woorden.
Vdw: Tav latsav, tav latsav, kav lakav, kav lakav = "voorschriften volgen elkaar snel op, meetlinten veranderen voortdurend, ze worden steeds korter.
Dat betekent economische achteruitgang. Indien ze weggevoerd worden, dan strompelen ze achteraan. Zo zullen ze gebroken worden, verstrikt en gevangen gezet."
Jeruzalem.
Juda en Jeruzalem zullen hun straf ook niet ontlopen.
Uiteindelijk zijn ze erger dan de Israëlieten uit het 10-stammenrijk.
Verdrag met het dodenrijk.
Juda zoekt steun in het occultisme, verdrag met het dodenrijk. Met leugen en bedrog misleidt men Assyrië. Achaz steunde daarop.
Of is die gesel hier Babel van Nebukadnezar?
Ik leg in Sion een steen.
Op Sion, de tempelberg, ligt onder de gouden koepel een rotssteen, beeld van Christus.
Hier spreekt God over een nieuw tijdperk, een nieuw koninkrijk. Pas over eeuwen wordt deze belofte ingelost als Jezus wordt geboren.
Paulus citeert deze tekst.
De tekst eindigt met:
VdW vertaalt:
Recht en gerechtigheid.
God neemt de goddelozen de maat (meetlint) en oordeelt hen (gerechtigheid).
De steun van Israël uit vs 15 zal God wegvagen. Hun toevluchtsoord en hun schuilplaats houdt geen stand.
Dit grijpt terug op
De gesel.
Dat is Babel.
Als hij voorbijtrekt
Hij = Babel.
Hij trekt voorbij en grijpt u. Er was ook een wegvoering ttv Jojachin. Toen moesten Daniël en Ezechiël mee.
19c VdW:
Het bed is tekort.
Jeremia12:13.
Hosea 10:13.
Iemand "oogsten van zijn bed" is dan iemand van zijn bed lichten.
Inwikkelen.
Sâra : zie leviticus 21:18 daar betekent het "misvormd, verminkt".
VdW: want men zal van zijn bed gelicht worden en verminkt (worden)
En de deken is te smal.
VdW:
2 Koningen 25:11.
2 Koningen 25:13-17.
Perazim.
Perazim = doorbraak.
God versloeg de vijanden van David.
Dal van Gibeon.
Daar gaf God hulp aan Jozua. De zon stond zelfs stil.
Om Zijn werk te doen.
Er zijn grote verwoestingen.
VdW: 21b
God heft dus de bescherming op. De haat van satan doet de rest.
De boer als voorbeeld.
God roept Israël op, om goed verstand te gebruiken. God neemt de boer als voorbeeld. Als je wijs handelt, mag je vrucht verwachten.