Hoofdstuk 27


Vers 1

Op die dag.

Dat is de dag uit

Dan komt de Messias.

Hij verslaat de antichrist en sluit Satan op.

Deze tekst hoort eigenlijk bij Jesaja 26.


Leviathan.

Dit is een zeemonster.

Dit is een beest in de zee.

=beeld voor satan of antichrist.

Kronkelen

= beeld voor slinksheid.

Job 40+Job 41: geen mens kan Leviathan tegenstaan. Alleen God.

God gaat satan opsluiten in de afgrond.

De zee.

De antichrist is ook het beest uit de zee.



Vers 2

Veel uitleggers laten hfst 27 beginnen bij vs 2. Maar als je oog hebt voor de eindtijd, dan volgt vs 2 logisch op vs 1.


Zingen.

De vertaling met "zingen" is interpretatie, dus onjuist.


ânâh=

In Jeremia14:7 betekent ânâh:

De wijngaard.

Israël is een wijnstok die God plantte.

Israël staat in de wijngaard, Gods land, het land Kanaän.

Ook in dit vers getuigt de wijngaard (Kanaän) tegen satan.

Satan begeert om Kanaän, Gods land te bezitten. Zo wil satan het Messiaanse rijk voorkomen.


VdW:



Vers 3

God beschermt Zijn land.

God beschermt Zijn wijngaard (=Kanaän), dag en nacht.

God keert immers terug naar Sion.



Vers 4

Gods grimmigheid is weg.

Gods grimmigheid, Gods toorn, is na de grote verdrukking geëindigd.

VdW: zou de wijngaard (=Kanaän) Mij doorns brengen of optrekken met distels, dan zou Ik daarop trappen en die totaal verzengen.


God duldt geen vijandschap meer als Hij regeert in het vrederijk.



Vers 5

Vrede met Mij sluiten.

De heidenen zullen een Joodse man aangrijpen en met hem God willen dienen. Zo sluiten de heidenen vrede met God.



Vers 6

"In de dagen".

Velen voegen "dagen" toe, maar dat is niet naar de grondtekst.

VdW:

Het gaat niet over Joden, maar over heidenen die in Jakob wortel schieten.

Zij sluiten zich aan bij Gods volk.

Maar...ook Israël zal "wortel schieten". Het wordt de machtigste natie.


De wereld vervullen.

Israëlische uitvindingen.



Vers 7

Heeft Hij hem geslagen..

Makkeh = slachting.

Het heeft de bedoeling om te doden. Het is dus een aanslag.

Hier gaat het om de intentie.


Die hem sloeg.

Nâkâh = neerslaan, ombrengen.

Hier gaat het om de daad.


VdW:



Vers 8

Veel verwarring over de juiste vertaling.


Door hem op te jagen.

God straft de antichrist en drijft hem weg als kaf voor de wind.



Vers 9

God ontfermt zich over Israël

De antichrist is gestraft.

De afgodsbeelden, die er waren om de antichrist te vereren, zijn verwoest.



Vers 10

Beschrijving vd vreselijke toestand vd steden.



Vers 11

Geen ontferming

Er zijn grote verwoestingen.

Na alle rampen vd grote verdrukking bekeren de goddelozen zich niet.

Over hen ontfermt God zich niet.



Vers 12

Ontferming voor Israël.

De laatste 2 verzen geven weer hoop.

Te dien dage: eindtijd.

De rivier = Eufraat

De wadi van Egypte= wadi-el-Arisch.

Dit zijn de grenzen van het beloofde land.

Kaf verdwijnt.

Amos 9:8-9.



Vers 13

De grote bazuin.

Verloren in Assyrië =10 stammen. Bij hun terugkeer zal de grote bazuin klinken. Deze bazuin hoort bij de wederkomst van Jezus.

Verdrevenen in Egypte .

= joden uit diaspora.



<