De last.
Dat wil zeggen: een woord van God dat de profeet als een last is opgelegd.
Is dit eindtijdprofetie?
Als je hier geen eindtijdprofetie leest, dan is het erg wazig. Het is niet te plaatsen in de historie.
De profetie is gericht op Babylon. In Akkadische geschriften heet het zuiden van Babylon "land van de zee". Dat is de delta van de Eufraat en Tigris.
Waarom dit bedekte taalgebruik?
Profetie over eindtijd is geheim, verzegeld tot de tijd van het einde. Verstandigen begrijpen het.
Gog komt.
Gog = de duistere
Het is een handlanger van satan.
Zuiderland.
De Negev-woestijn.
Een hard visioen.
Een verschrikkelijk visioen, de oordelen van God gaan over de aarde.
De antichrist vervolgt de gelovigen. Hij is de trouweloze en de verwoester die hier genoemd wordt.
Er is vanuit noord en zuid rebellie tegen zijn bewind.
Elam (=Perzië) en Medië versloegen ooit Babel in de tijd van Daniël. Nu is dit een metafoor voor vijanden van Babylon in de eindtijd.
Al haar zuchten.
"Zuchten" slaat op de onderdrukking van de volken in het noorden en zuiden.
Ik ben verschrikt.
Verschrikkelijk visioen. Vreselijke toestand van de wereld en veel lijden van de gelovigen.
Maak de tafel gereed.
De legerleiding van de vijand houdt een feestmaal. De strijd gaat beginnen.
Heere.
= Jezus.
Een wachter.
In vers 9 ziet deze wachter de val van Babylon.
De persoon op de uitkijk is waarschijnlijk een (aarts)engel.
Alle beelden van zijn goden.
Grondwoord ĕlôahh is enkelvoud.
Dus:
Jesaja spreekt hier over hét afgodsbeeld van Babel, het meest gruwelijke. Dat is het beeld van het beest, de antichrist.
Babel is gevallen.
Mijn gedorste volk.
Het gaat over het gelovige Israël.
Israël is het gedorste koren. De vijanden zijn het kaf.
De last.
Dat wil zeggen: een woord van God dat de profeet als een last is opgelegd.
Duma.
Dit woord dûwmâh wordt gevocaliseerd.
Men denkt aan een plaats.
We kunnen dûwmâh ook vertalen.
Dûwmâh = stilte, blijvende stilte.
Seïr.
Dat is Edom, tegenwoordig Jordanië.
Het is ook de hoogste bergtop, ten Z.O. van de Dode Zee. Daar ligt ook Petra dichtbij.
We vinden géén duidelijke verwijzing naar de oude tijd.
Daarom denken we aan de toekomst.
Dan wordt de eindtijdprofetie van Jesaja 21:1-10 voortgezet.
Men roept mij.
Men roept mij toe uit Seïr.
Betekenis?
Jezus is wedergekomen, maar nog niet alle verzetshaarden zijn verdwenen.
De wereldbevolking wacht in spanning wat er zal gaan gebeuren.
Stilte en rust is er niet voor de goddeloze vijanden.
Keer terug, kom.
Hier wordt de vraagsteller sussend toegesproken:
De last.
Dat wil zeggen: een woord van God dat de profeet als een last is opgelegd.
Woud van Arabië.
In Arabië zijn géén bossen.
Het woord bos / woud staat ook in
'ărab is géén echte naam, maar beschrijft een wildernis, een woestenij, een steppe.
We kunnen ook lezen "ereb", zoals de Septuaginta.
Ereb = schemering.
Deze vertaling past niet in de tekst.
Woestenij.
Mogelijk ziet dit op de oordelen die dit gebied in de eindtijd zullen treffen.
De karavanen zoeken daar in de wildernis een veilig heenkomen.
Dedanieten.
Dedan kan een nakomeling van Cusj zijn, uit het geslacht van Cham.
Dedan kan ook een nakomeling zijn van Abraham en Ketura.
Waarschijnlijk worden hier de Dedanieten als afstammelingen van Abraham bedoeld, omdat de context over Arabië spreekt.
Tema.
Het huidige Taimã, een nederzetting in een oase aan een karavaanroute.
Kedar.
Kedar is een zoon van Ismaël, dus een kleinzoon van Abraham.
Boogschutter.
Ismaël was een boogschutter.
Zijn nakomelingen, de Kedarenen, ook.