Hoofdstuk 16


Vers 1

Stuur lammeren.

Kar = lam (enkelvoud).


Andere vertaling!

VdW:

Dus de Messias (het Lam) brengt de gevluchte gelovige Joden (hen) uit Sela (=Petra) terug naar Sion.

Messiaans gedeelte!

Jesaja 16 is voor veel uitleggers een groot probleem. De studiebijbel spreekt hier van een Messiaanse verwachting.


VdW gaat vs 1-5 verklaren mbt eindtijd. Hier volgen argumenten.




Vers 2

Vluchtelingen.

De toekomstige inwoners van Moab zullen tijdens de grote verdrukking op de vlucht zijn.


De Arnon.

Deze rivier had vroeger maar enkele doorwaadbare plaatsen. De Arnon stroomt in een diepe kloof, een natuurlijke barrière.

De rivier mondt uit in de Dode Zee.



Vers 3

Verschaf raad.

Oproep aan het Lam om bescherming voor de gelovige Joodse vluchtelingen. Ook voor de vluchtelingen uit Moab.



Vers 4

Mijn verdrevenen.

Omwille van Mij, Het Lam, zijn ze verdreven. De antichrist vervolgt hen. De verwoester = de antichrist.

Hij vertrapt.

De grote verdrukking zal eindigen met de ondergang van de antichrist. Jezus verslaat hem.

In dit gebied (Moab - Edom) ligt Petra. Moet Israël daar opgevangen worden?

Het ligt buiten de invloedsfeer van de antichrist.



Vers 5

Een troon gevestigd.

De Messias zal zitten op de troon van David.

Gegrond op gerechtigheid.

Dit gebeurt aansluitend op de ondergang van de antichrist.


Die oordeelt en recht zoekt.



Vers 6

Vs 6-14 wijzen waarschijnlijk naar de oude tijd. Mogelijk als schaduw ook naar eindtijd. Aanwijzingen ontbreken.



Vers 7

Zelfbeklag.

Moab klaagt over Moab = zelfbeklag. Geen berouw, maar wrokken en klagen.


Rozijnenkoeken.

Men vertaalt ook wel met : laatste persing (van druiven.)

Dat sluit wel beter aan bij vers 8.

Waarschijnlijk is dit een persing van de laatste restjes, niet gefilterd, licht alcoholisch, een populaire volksdrank.



Vers 8

Heersers van de heidenvolken.

In de eerste plaats is dat Nebukadnezar, koning van Babel. Later vallen woestijnvolken het verzwakte Moab binnen.


Zij verdwaalden in de woestijn.

Verspreiden zich.

Nâtâsh = verpulveren.

Ze , de vijanden, hebben het verwoeste Moab achter zich gelaten en zijn de zee, de Dode Zee, overgestoken.



Vers 9

Ik zal wenen..

God heeft groot verdriet.

God is liefdevol.

God is ook rechtvaardig.



Vers 11

Kir-Heres.

Zelfde plaats als Kir-Hareseth in vers 7.



Vers 14

De profetie is waarschijnlijk uit 714 v C.



<